Zoeken

Het zwaard

Inleiding

Morgan le Fay overhandigt het valse Excalibur aan koning Arthur. Miniatuur uit de Suite de Merlin (Huth Manuscript), Frankrijk veertiende eeuw, fol. 203v. London, British Library, Add MS 38117. Bron: Wikimedia Commons (publiek domein).
Morgan le Fay overhandigt het valse Excalibur aan koning Arthur. Miniatuur uit de Suite de Merlin (Huth Manuscript), Frankrijk veertiende eeuw, fol. 203v. London, British Library, Add MS 38117. Bron: Wikimedia Commons (publiek domein).

Het meest tot de verbeelding sprekende wapen uit de middeleeuwen is het zwaard. Dit aanvalswapen maakt zo’n indruk dat enkele zwaarden tot op de dag van vandaag een eigen naam dragen en met magische kracht worden geassocieerd: Excalibur (koning Arthur), Hrunting (koning Beowulf), Joyeuse (Karel I ‘de Grote’), Balmung (Siegfried uit het Nibelungenlied) en Durandel (Roland).

Dergelijke verhalen zijn literair, niet militair. Het zwaard is gedurende de hele middeleeuwen wel een belangrijk wapen voor de strijd van man tegen man, maar bovenal een statussymbool. Het wapen is duur, vergt vakkundige smeedkunst en is voorbehouden aan de elite. Een eenvoudige boer of voetknecht vecht met speer, knots, mes of bijl; het zwaard is het wapen van de ridder, de edelman en de stedelijke patriciër. Onder invloed van steeds zwaardere wapenrustingen ontwikkelt het zwaard zich voortdurend, van het brede snijdende zwaard van de vroege middeleeuwen tot de smalle stootdegen aan het einde van de periode.

Een eigen karakter

Fragment van Debora en Barak verslaan de strijdwagens van koning Jabin van Kanaän. Maciejowski Bible (Crusader Bible, Morgan Picture Bible), Frankrijk circa 1244-1254, fol. 12r. New York, Morgan Library & Museum, MS M.638. Bron: Wikimedia Commons (publiek domein).
Fragment van Debora en Barak verslaan de strijdwagens van koning Jabin van Kanaän. Maciejowski Bible (Crusader Bible, Morgan Picture Bible), Frankrijk circa 1244-1254, fol. 12r. New York, Morgan Library & Museum, MS M.638.

Zwaarden met dezelfde afmetingen, vorm en gewicht liggen verschillend in de hand. Dit unieke karakter wordt al in de middeleeuwen herkend en draagt bij aan het toedichten van bijzondere eigenschappen aan het wapen.

Een zwaard wordt niet zomaar weggegooid. In rivieren, beken en venen worden in heel Noordwest-Europa zwaarden teruggevonden die opzettelijk zijn neergelegd, soms verbogen of gebroken. De gewoonte gaat terug tot de bronstijd en loopt door tot ver in de middeleeuwen. Zo’n depositie betekent niet noodzakelijk een graf of een offer; soms is sprake van een rituele beëindiging van de krijgersrol, soms van een gift aan een goddelijke macht. Een zwaard kapotmaken voor het neerleggen voorkomt bovendien dat anderen het wapen later kunnen weghalen en hergebruiken.

Veel zwaarden zijn op die manier overgeleverd, in graven of in natte bodems waar de zuurstofarme omstandigheden het ijzer goed bewaren. Daardoor is de ontwikkeling van het zwaard door de eeuwen heen archeologisch goed te volgen. Op basis van vorm en bouw is in de twintigste eeuw een typologie opgesteld (typen X tot en met XXII) die internationaal als standaard geldt.

Onderdelen van een zwaard

Het zwaard bestaat uit twee hoofddelen: de kling en het gevest. De kling heeft twee scherpe sneden en eindigt in een punt. Aan de bovenzijde gaat de kling over in de angel, het smalle uiteinde waaroverheen het handvat wordt geschoven. In veel klingen loopt over de lengte een ondiepe gleuf, de fuller. Deze gleuf — in populaire voorstellingen ten onrechte ‘bloedgeul’ genoemd — heeft een mechanische functie: hij maakt de kling lichter zonder de stijfheid aan te tasten, zoals een I-balk lichter is dan een massieve staaf van hetzelfde materiaal.

De onderdelen van het middeleeuwse zwaard: kling met fuller, angel, pareerstang, greep en pommel. Schematische voorstelling (AI-gegenereerd).
De onderdelen van het middeleeuwse zwaard: kling met fuller, angel, pareerstang, greep en pommel. Schematische voorstelling (AI-gegenereerd).

Het gevest bestaat in de hele middeleeuwen uit een kruisgevest. Het heeft een pareerstang ter bescherming van de hand, een over de angel geschoven greep van hout of hoorn, soms omwikkeld met leer of draad, en een knop of pommel aan het uiteinde om de greep op zijn plaats te houden. De pommel dient bovendien als tegenwicht voor de kling en verbetert de balans van het wapen.

Met vrij grote zekerheid laat de bouw van een zwaard zich dateren. Alle ontwikkelde typen passen in de min of meer rechtlijnige evolutie die de typologie beschrijft. Hoewel veel opgegraven zwaarden door corrosie verweerd zijn, hebben ze in de middeleeuwen ongetwijfeld glanzend gepolijst geschitterd.

Dragen van het zwaard

Fragment van strijders met zwaarden aan de heupriem in de slag bij Ai, waarin Jozua's voorhoede door de Amorieten wordt teruggeslagen. Maciejowski Bible (Crusader Bible, Morgan Picture Bible), Frankrijk circa 1244-1254, fol. 10r. New York, Morgan Library & Museum, MS M.638. Bron: Wikimedia Commons (publiek domein).
Fragment van strijders met zwaarden aan de heupriem in de slag bij Ai, waarin Jozua’s voorhoede door de Amorieten wordt teruggeslagen. Maciejowski Bible (Crusader Bible, Morgan Picture Bible), Frankrijk circa 1244-1254, fol. 10r. New York, Morgan Library & Museum, MS M.638.

Het zwaard wordt meestal aan een riem in een schede op de heup gedragen. Soms hangt het wapen aan een riem die kruislings over de rechterschouder loopt. Riem en schede worden vaak versierd; samen drukken zij de stand en het vermogen van de drager uit.

In de oudere riemconstructie wordt het uiteinde van de riem in tweeën gesneden, zodat twee tongen ontstaan. Aan het andere uiteinde worden inkepingen gemaakt waardoor de tongen worden gehaald en geknoopt. In de dertiende eeuw komt bij de elite de gesp in zwang. Een uiteinde van de riem krijgt twee tongen — een lange en een korte smalle — die in de gesp uitkomen. Het andere uiteinde wordt om de schede bevestigd, om de heupen gedraaid en aan de voorkant met de gesp gesloten. De korte smalle tong wordt vervolgens vastgezet aan het deel dat om de schede zit. In latere eeuwen wordt de riem met behulp van ijzeren ringen aan de kleding bevestigd.

Zwaarden in Oost-Nederland

Voor wie zwaarden in een Oost-Nederlandse context zoekt, zijn rivieren, beken en kasteelgrachten de belangrijkste vindplaatsen. De IJssel als handelsader van de Hanze en als grens tussen Gelre en het Oversticht heeft door de eeuwen heen verschillende wapens prijsgegeven.

De IJssel zelf heeft een laatmiddeleeuws tweehandig slagzwaard prijsgegeven, in 1981 opgebaggerd bij Olst-Wijhe en voorzien van een Passauer wolf als makersteken.

Een tweede vondst is direct verbonden met de regionale machtspolitiek. Bij de opgraving in 1982 in de grachten van kasteel Voorst bij Zwolle komt een zwaard tevoorschijn met een wortelhouten gevest, aan beide zijden voorzien van zilveren beslag. Rond de rozet zijn de gotische letters HNAON ingelegd, een spreuk die zoveel betekent als dit nieuwe wapen zegeviert over allen. Wie het wapen heeft gevoerd is niet bekend; gezien de vindplaats wordt vermoed dat het ten tijde van de verwoesting van het kasteel in de gracht is geraakt. Sweder III van Voorst Ψ, bannerheer en ministeriaal van de bisschop van Utrecht, maakte zich onmogelijk bij zijn formele heer en de IJsselsteden Zwolle, Kampen en Deventer. In 1362 werd zijn kasteel door een verbond van de bisschop en de drie steden belegerd en met de grond gelijkgemaakt. Of het zwaard met de hoopvolle inscriptie aan Zweder zelf of aan een van zijn manschappen heeft toebehoord, valt niet meer vast te stellen.

Voor Drenthe is het meest sprekende middeleeuwse zwaardrestant een vondst die pas in maart 2026 wetenschappelijk werd herkend. Een metaaldetectorist had jaren eerder bij Ane, vlakbij Coevorden, een emaillen pommel opgegraven en niet beseft wat hij in handen had. Onderzoek door Jan van Doesburg van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed wijst op een datering in de late twaalfde of vroege dertiende eeuw. De versiering past bij wat in die periode aan de top van de ridderelite gangbaar is. De pommel wordt gekoppeld aan de Slag bij Ane van 28 juli 1227, waarin een Drents leger onder Rudolf II van Coevorden Ψ het ridderleger van bisschop Otto II van Lippe Ψ versloeg. De zware ruiterij van de bisschop zakte weg in het drassige terrein, waarna de Drenten het werk afmaakten. De pommel is hypothetisch afkomstig van een gevallen ridder uit het bisschoppelijke kamp. In 2026 is voor het eerst systematisch wetenschappelijk veldonderzoek naar het slagveld en het bisschoppelijke kampement bij de Vecht van start gegaan.

Het oudste type zwaard in de Lage Landen is daarmee niet vertegenwoordigd in deze Oost-Nederlandse reeks. Voor het Karolingische tijdvak biedt de IJssel als zodanig geen vergelijkbare vondst, maar verder zuidwaarts wel: in de Maas bij Lith is een Ulfberht-zwaard uit de tiende eeuw aangetroffen, nu in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden. Ulfberht-zwaarden worden vermoedelijk in het Rijnland gesmeed en gelden als de top van de vroegmiddeleeuwse zwaardproductie. Hun verspreiding tot in Scandinavië en Oost-Europa toont aan dat de Frankische smeedcentra in de negende en tiende eeuw een Europees afzetgebied bedienen, langs precies de rivieren waaraan ook IJsselsteden als Deventer hun handelspositie ontlenen.

Het zwaard als symbool

Een zwaard is in de middeleeuwen meer dan een wapen. Het symboliseert macht, gerechtigheid en krijgskunst. Een rechter spreekt recht met het zwaard; een vorst draagt bij zijn troonsbestijging een ceremonieel zwaard als teken van zijn taak om vrede te bewaren en het kwaad af te weren. Bij de zwaardomgording — de plechtige handeling waarmee een man tot ridder wordt geslagen of gegord — markeert het wapen de toetreding tot de krijgersstand (zie De ridder).

Ook in de christelijke beeldcultuur speelt het zwaard een vaste rol. De aartsengel Michaël hanteert het zwaard tegen de duivel; de heilige Catharina van Alexandrië wordt afgebeeld met het zwaard waarmee zij is onthoofd. Het wapen is daarmee tegelijk werktuig van de wereldlijke macht en attribuut van het hemelse oordeel. Dat dubbele karakter verklaart waarom zwaarden in middeleeuwse oorkonden, kronieken en miniaturen zo prominent figureren, en waarom enkele exemplaren al in hun eigen tijd een eigen naam en geschiedenis krijgen toegekend.

Drie ontwikkelingslijnen

De ontwikkeling van het middeleeuwse zwaard begint bij de vroeg-middeleeuwse zwaarden als de spatha en het vikingzwaard, waarop in de late middeleeuwen de stootzwaarden en slagzwaarden volgen. Elke ontwikkelingslijn beantwoordt aan de bewapening van zijn tijd: het brede snijdende zwaard van de vroege middeleeuwen volstaat tegen lichte bepantsering en maliënkolders; tegen het opkomende plaatharnas van de late middeleeuwen ontstaan smalle, taps toelopende stootzwaarden waarmee tussen platen kan worden geprikt; voor de strijd buiten het harnas ontstaan de zware tweehandige slagzwaarden. De drie hoofdtypen worden op afzonderlijke pagina’s verder besproken.

Bronnen

Primaire bronnen en edities

Literatuur

  • Amkreutz, Luc, en Annemarieke Willemsen (red.). Vlijmscherp verleden. Het zwaard als wapen en symbool. Leiden: Rijksmuseum van Oudheden, 2016.
  • Beuker, J.R. “Vondsten en plaats van de slag bij Ane”. Nieuwe Drentse Volksalmanak 97 (1980): 9-15.
  • Damen, Mario. “De ridderslag”. In: Amkreutz, Luc, en Annemarieke Willemsen (red.), Vlijmscherp verleden. Het zwaard als wapen en symbool, p. 58-59. Leiden: Rijksmuseum van Oudheden, 2016.
  • Oakeshott, Ewart. Records of the Medieval Sword. Woodbridge: Boydell Press, 1991.

Online bronnen

 

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende I des Sonnedages nae sunte Johannes van het Kruis dach, dat was op ten zesde ende tienden dach der maent van Decembri.