Meginhard I Wracharizoon
Een zoon van Wrachari
Meginhard I Ψ is een zoon van Wrachari Ψ en daarmee een kleinzoon van Brunhari Ψ. Met hem komt de derde generatie in beeld van wat Jongbloed in 2012 omschrijft als de oudstbekende generaties van het (eerste?) Hamalandse gravenhuis.

De enige zekere vermelding van Meginhard I in de bronnen is zijn instemming, in 794 te Brummen, met de schenking die zijn vader Wrachari aan de missionaris Liudger doet van grondbezit te Wichmond. Daarmee houdt het oorkondelijke spoor van Meginhard I zelf op. Alles wat verder hieronder over hem te zeggen valt, hangt vast aan hypothesen die zich rond zijn naam hebben gevormd, waarbij aangetekend kan worden dat de naam niet heel vaal voorkomt.
Zijn naam keert bijvoorbeeld in de loop van de negende eeuw veelvuldig terug in oorkonden van het klooster Werden aan de Ruhr. Tussen ongeveer 827 en 848 verschijnt een Meginhard, met de varianten Meinhard en Meganhard, in een negental Werdense stukken, waarvan twee de Veluwe betreffen, een gebied dat ruim een eeuw later tot het ambtsgebied van het Hamalandse gravenhuis hoort. In 841 en opnieuw in 847 treedt een Meginhard op als voogd van Werden (advocatus sancti salvatoris), in 841 zelfs handelend als begunstiger. Wenskus heeft al op deze Werdense voogd gewezen en hem in een moeite door willen verbinden met een Maynhard die tweemaal voorkomt in het memorieboek van Corvey. Voor een directe vereenzelviging met Wrachari’s zoon ontbreekt het echter aan harde aanknopingspunten. Jongbloed formuleert het voorzichtiger: een vermoeden in die richting is bepaald wel ontstaan, ondubbelzinnig is het niet. Tegelijk treedt in dezelfde Werdense oorkonden ook een Meginhard zonder voogdtitel op, betrokken bij acht andere schenkingen, waaronder twee Veluwse uit 845 en 846.

Een eerdere graaf Meginhard duikt in 811 op bij de onderhandelingen aan de Eider. Of een of meerdere van deze figuren samenvalt met de zoon van Wrachari blijft onzeker; in het overgeleverde materiaal lopen zeker twee Meginhards naast elkaar door de bronnen.
Het laatste optreden van de naamloze, niet als voogd betitelde Meginhard valt in 848, zodat hij vermoedelijk daarna en in elk geval voor 855, wanneer hij is opgevolgd, is overleden. Of de voogd Meginhard van 847 dezelfde persoon is en wanneer hij precies overlijdt, valt allemaal uit de bronnen niet uit te maken.
Een opmerkelijk detail rond dit cluster is een verschijning van een Maynhard rond 846 en 847 in de overgeleverde tradities van de abdij van Corvey, als laatste getuige in twee reeksen die goed in pagus Ittergoe betreffen — vermoedelijk de Ittergouw rondom Kassel in noordelijk Hessen. Daar treedt ook de familie der Esikonen op, vertegenwoordigd door Asig I van Hessengouw Ψ. Of het hier om dezelfde Meginhard gaat als degene die in het Rijnlandse netwerk rond Liudger en Werden beweegt, of dat het toeval is dat dezelfde naam in beide kringen voorkomt, is met de huidige bronnen ook niet uit te maken. Voor een zinnige reconstructie van Meginhard I’s eigen handelingen geeft de Ittergouw-aanwijzing in elk geval te weinig houvast.
Het netwerk rond Liudger
De oorkonde van 794, waarin Wrachari instemt met de schenking van zijn zoon, is opgemaakt te Brummen, in een gouw die naderhand tot Hamaland gerekend wordt. Onder de getuigen staan twee personen met de naam Liudger, geen van beide de missionaris zelf. Ten minste een van die twee is vermoedelijk de Liudger zoon van wijlen Hredgaer die in 793 een helft van zijn erfgoed tussen Enedsea en Berilsi en in het bos Zeewold of Swifterbant aan zijn missionerende naamgenoot heeft geschonken. Bij die transactie van 793 staat onder de getuigen een Meginhard. Of het hier om Wrachari’s zoon gaat, valt niet hard te maken; wel tekenen zich rond Liudger, in de IJsselstreek en op de Veluwe, de contouren af van een verwantennetwerk waarin de namen Liudger, Meginhard, Wolf, Gunthard en Helmbert telkens terugkeren. Wrachari en zijn zoon Meginhard horen onmiskenbaar in dit netwerk thuis.
Nog rond 950 treedt op de Veluwe een graaf Linger op. Jongbloed houdt die naam aannemelijk voor een mislezing of corruptie van Liuger of Liudger — precies één letter verwijderd van de naam Liudger. Daarmee is een Veluws ambtsgebied tot diep in de tiende eeuw aan dezelfde namenkring verbonden.
De naamgever van Meinerswijk?
Op enige afstand van Wichmond, ten zuiden van de Rijn bij Arnhem, ligt een nederzetting die in een schenkingsakte van 814 voorkomt onder de naam Meginhardeswich. Het stuk betreft een schenking van een edelman Lantward aan de abdij van Lorsch.

Verkerk heeft in 1983 de hypothese geopperd dat de plaatsnaam herinnert aan Meginhard I als naamgever: in de vicus of handelswijk Meginhardi laat het later opduikende toponiem Meinerswijk zich herkennen, en Meginhard zou als telg van een vooraanstaand geslacht de hand hebben gehad in de stichting van deze handelsplaats.
Van der Tuuk heeft deze identificatie overgenomen. Een directe bron die de plaats aan Meginhard I verbindt, ontbreekt echter; de identificatie blijft een hypothetische lijn, gestut op de zeldzaamheid van de naam in deze streek aan het begin van de negende eeuw.
De plek zelf is van veel oudere oorsprong. Op deze locatie heeft een Romeins castellum gestaan, waarvan de funderingen archeologisch zijn aangetoond en dat sinds 2021 deel uitmaakt van het Unesco-werelderfgoed Neder-Germaanse limes. De vereenzelviging met Castra Herculis, lang door historici overgenomen, is in recenter onderzoek onzeker geworden; voor sommige onderzoekers ligt ook Levefanum op tafel. Voor de vroegmiddeleeuwse vicus Meginhardi zijn de archeologische sporen schaars; harde bewijzen voor een bloeiende negende-eeuwse handelsplaats ontbreken vooralsnog.
Vikingen op de Nederrijn (834–847)
De tijden waarin Meginhard I optreedt, zijn allerminst rustig. Saksen is nog amper veroverd door Karel I ‘de Grote’ Ψ of het Frankische rijk wordt door diens zoon Lodewijk I ‘de Vrome’ Ψ opgedeeld in drie stukken voor zijn drie zonen. Het lot van Hamaland is ongewis. De gouw ligt aan de grens van twee nieuwe rijken: het Middenrijk en Oost-Franken. In 838 wordt Hamaland in beginsel toegewezen aan Lodewijk II ‘de Duitser’ Ψ en vervolgens in 839 aan keizer Lothar I Ψ. Uiteindelijk wordt Hamaland in 843 in het Verdrag van Verdun bij Oost-Franken ingedeeld en niet bij het Middenrijk.
Aan de horizon doemen andere gevaren op. Vanaf 834 worden Utrecht en Dorestad meermalen door Noormannen geplunderd. Van keizer Lothar I valt voor de bewoners van het stroomgebied weinig te verwachten. Door de interne conflicten is hij te verzwakt om krachtdadig op te treden; de Noormannen gebruiken vrijwel ongestoord Walcheren als uitvalsbasis.

Na het overlijden van Lodewijk ‘de Vrome’ in 840 besluit Lothar I in 841 over te gaan tot een politiek die het kwaad met het kwaad wil bestrijden. Hij beleent de Deense broers Harald ‘de Jongere’ Ψ en Rorik II Ψ met een gebied dat Walcheren en omliggende plaatsen omvat, en stelt hen daarmee aan als verdedigers van Frisia tegen hun eigen volk. De Annales Bertiniani spreken bij die gelegenheid van Gualacras aliaque vicina loca. Met dieven vangt men dieven, is het idee.
Rond 844 vallen beide broers in ongenade. De Annales Xantenses schrijven dat Rorik bij Lothar I in ongenade is gevallen; de Annales Fuldenses spreken — naar eigen zeggen ten onrechte — van een beschuldiging van verraad. Beide broers worden gevangengezet. Harald de Jongere komt vermoedelijk in gevangenschap om het leven. Rorik weet te ontsnappen en wendt zich tot Lodewijk ‘de Duitser’ in Oost-Franken, in wiens nabijheid hij enige jaren onder de Saksen verblijft. Vanaf 850 keert hij plunderend terug langs de Rijn, neemt Dorestad in en wordt door Lothar I opnieuw als leenman aanvaard.
In de tussenliggende jaren krijgen rivaliserende Noormannen vrij spel aan de kust. In 846 wordt het Nederrijnse gebied opnieuw door Vikingen bezocht en in 847 wordt Meginhardeswich overvallen — een Vikingplundering die de nederzetting voorgoed zijn negende-eeuwse omvang ontneemt. Of de schaduw van deze gebeurtenis ook over Meginhard I valt, hangt af van twee veronderstellingen tegelijk: dat hij werkelijk de naamgever van de nederzetting is en dat hij in 847 nog leeft of een functie van bestuurlijke verantwoordelijkheid bekleedt. Geen van beide is met de bronnen hard te maken; verder dan een geografische samenloop reikt de aanwijzing niet.
Een hypothetische erfdochter
Van Meginhard I zijn uit de bronnen geen kinderen bekend, waardoor ook de regeling bij zijn erfopvolging onbekend blijft. In de hier gepresenteerde stamboom is uitgegaan van de aanname dat Wichman (II) met een onbekende erfdochter van Meginhard I getrouwd is. Voor die aanname pleit dat in 855 een Wichman (II) Ψ als graaf in Hamaland optreedt — de eerste oorkondelijke vermelding van die graventitel in deze streek — en dat de naam Wichman bij Meginhard I en diens voorzaten nog ontbreekt. Een nieuwe leidnaam in een familie wijst doorgaans op een huwelijksaanvoeging. De latere wisseling van Meginhard en Wichman als leidnamen in het Hamalandse gravenhuis past in dat patroon. Jongbloed houdt het gezien de naam van Eltens stichter voor aannemelijk dat de graaf Wichman (II) van 855 tot de voorzaten van dat huis hoort, zonder de precieze schakel hard te willen maken.
Wie deze Wichman (II) van 855 dan is, blijft eveneens onzeker. Wirtz heeft hem als grootvader in vrouwelijke lijn van de tiende-eeuwse Wichman ‘van Hamaland’ willen plaatsen en wilde hem verbinden met de Saksische familie die in de tiende eeuw onder de naam Billung bekend werd. Binding zag hem juist als een verwant van Eberhard Saxo en Meginhard ‘de hertog’. Voor deze pagina over Meginhard I volstaat de vaststelling dat de Wichman (II) van 855 een schoonzoon óf een naaste verwant van Meginhard I geweest moet zijn, en dat zijn herkomst in een Saksisch milieu waaruit later het huis Billung zou voortkomen, een interesante mogelijkheid is en ook geen bewezen feit.
Voor wie verder wil speculeren zijn andere scenario’s denkbaar. Zeker is alleen dat de eerstvolgende graaf in Hamaland Wichman (II) heet en dat hij Meginhard I is opgevolgd. Wat in elk geval is ontstaan, is een familie waarin de namen Wichman en Meginhard in de daaropvolgende generaties veelvuldig terugkeren: een namenpatroon dat tot in het stift Elten zal voortleven.
Bronnenlijst
Primaire bronnen en edities
- Blok, D.P. Een diplomatisch onderzoek van de oudste particuliere oorkonden van Werden. Assen, ca. 1960.
- Eckhardt, K.A. (ed.). Traditiones Corbeienses I. Studia Corbeiensia. Aalen: Scientia Verlag, 1970.
- Lacomblet, T.J. Urkundenbuch für die Geschichte des Niederrheins, Bd. 1. Düsseldorf, 1840.
- Rau, R. (ed.). Quellen zur karolingischen Reichsgeschichte II (Annales Bertiniani, Annales Fuldenses, Annales Xantenses). Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 1969.
- Sloet, L.A.J.W. baron. Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen tot op den slag van Woeringen, 5 juni 1288, Bd. 1. ‘s-Gravenhage: Nijhoff, 1872.
Literatuur
- Jongbloed, H.H. 2006. “Tussen ‘paltsverhaal’ en ‘IJssellinie’ — Averarda ‘van Zutphen’ († 11 augustus [961]) en de geboorte van de graafschappen Zutphen en Gelre (1026–1046).” Bijdragen en Mededelingen Gelre 97: 57–134.
- Jongbloed, H.H. 2012. “Balderik ‘van Upladium’ (ca. 970 – 5 juni 1021): Karoling met een krasje in nu Gelderse contreien.” Bijdragen en Mededelingen Gelre 103: 7–58.
- Van der Tuuk, L. 2008. “Deense heersers in de Over-Betuwe: machtsstrijd in het rivierengebied in de negende eeuw.” Bijdragen en Mededelingen Gelre 99: 27–86.
- Van der Tuuk, L. 2015. Vikingen: Noormannen in de Lage Landen. Utrecht: Omniboek.
- Van Winter, J.M. 1980. “Die Hamaländer Grafen als Angehörige der Reichsaristokratie im 10. Jahrhundert.” Rheinische Vierteljahrsblätter 44: 16–46.
- Verkerk, C.L. 1983. “Arnhem, van koningsgoed tot stad.” Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre 74: 1–25.
- Wenskus, R. 1976. Sächsischer Stammesadel und fränkischer Reichsadel. Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht.
Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende I op Tweeden Pinksterendach.