Deel 1 – Opkomst van een hertogdom
Het machtsvacuüm na 900
Op 13 augustus 900 sneuvelt koning Zwentibold Ψ bij Susteren aan de Maas. Hij heeft Lotharingen dan nog geen vijf jaar in handen — sinds zijn vader Arnulf ‘van Karinthië’ Ψ hem in 895 op de rijksdag te Worms tot koning verhief van een voor hem uit het Oostfrankische rijk losgemaakt Lotharingen.

Met de dood van Arnulf in december 899 verliest Zwentibold zijn belangrijkste rugdekking. De Lotharingse groten erkennen zijn halfbroer Lodewijk IV ‘het Kind’ Ψ, op dat moment zes jaar oud, als hun nieuwe koning en halen hem in maart 900 naar Diedenhofen. Zwentibold weigert te wijken. Hij wordt even later door een coalitie van ontevreden Lotharingse magnaten in een gevecht bij Susteren geveld. Reginonis Chronicon meldt enkel dat Zwentibold er in het gevecht omkomt; wat precies bij Susteren gebeurt laten de bronnen in het midden.
Met zijn dood valt het Lotharingse koningschap terug in de schoot van het Oostfrankische rijk, dat zelf wordt bestuurd door een zesjarig kind onder de voogdij van aartsbisschop Hatto van Mainz en bisschop Salomo van Konstanz. Voor de Lotharingse magnaten betekent dit in de praktijk dat het centrale gezag zich nauwelijks laat gelden. De jaren die volgen zijn geen interregnum in formele zin, maar wel een tijd waarin regionale machthebbers hun positie kunnen consolideren zonder dat de koning er iets tegen uitricht.
Een korte terminologische opmerking is hier op zijn plaats. De historiografie hanteert voor de verwantschapskringen die in deze jaren opduiken namen als Matfriedingen, Konradijnen, Reginaren en Meginhardingen. Het zijn moderne werknamen, geordend naar een terugkerende voornaam in het mannelijke nageslacht. Zelf noemen deze families zich zo niet; wie in de tiende eeuw aan een familia denkt, denkt aan bezit en verwantschap, niet aan een dynastieke naam met een eigen merk. De werknamen blijven nuttig voor wie de draden wil ordenen, mits men beseft dat ze een modern construct zijn.
De afrekening met Zwentibold
De eerste beweging in het spel om Lotharingen komt van de Matfriedingen. Aan het hoofd van deze familie — gegoed aan de Moezel, in de Metzgouw, de Gulikgouw en langs de linkeroever van de Rijn — staan in 900 de broers Matfried IV van Metzgouw Ψ en Gerhard I van Gulikgouw Ψ. Beiden hebben persoonlijke rekeningen te vereffenen met Zwentibold: in 896 heeft de koning hen uit hun grafelijke ambten gezet en hun goederen verbeurd verklaard. In 898 zijn ze formeel gerehabiliteerd, maar vergeten of vergeven doen zij niet. Bij Susteren rekenen zij af. De beslissende slag wordt gestreden door een coalitie waarin naast de Matfriedingen ook Reginar Ψ — zoon van Giselbert II van Maasgouw Ψ en zelf in 898 door Zwentibold als raadgever uit zijn gratie gezet — de handen aan het werk zet. Regino van Prüm noemt Reginar en een Odacer comes in één adem als de uitvoerders.
Wie van de moord op Zwentibold politiek het grootste profijt trekt, laat zich zonder moeite vaststellen. Gerhard I van Gulikgouw huwt nog in diezelfde maanden met Zwentibolds weduwe Oda van Saksen Ψ, dochter van Otto ‘de Doorluchtige’ Ψ en zuster van de latere koning Hendrik I ‘de Vogelaar’ Ψ. Het is een greep naar de Lotharingse kroon die de Matfriedingen met één beweging dichter bij het centrum brengt dan Reginar en de andere coalitiegenoten hadden kunnen denken. De drie nog zeer jonge dochters van Zwentibold en Oda worden in kloosters ondergebracht, wellicht met de bedoeling dat de lijn op deze manier zou uitsterven. Oda en Gerhard krijgen vier eigen kinderen, onder wie de latere paltsgraaf van Lotharingen Godfried Ψ en de latere aartsbisschop van Keulen Wigfried Ψ.

Reginar aan de Maas
Voor Reginar brengt de afloop bij Susteren minder politieke winst dan voor de Matfriedingen, maar wel ruimte om zijn positie aan de Maas te consolideren. De bijnaam ‘Langhals’ waarmee hij in latere literatuur is uitgedost, behoort strikt genomen tot zijn kleinzoon en achterachterkleinzoon; de bronnen voor zijn eigen tijd dragen die aanduiding niet. Reginar is dan al een gevestigde figuur. Hij volgt zijn vader op in de Maasgouw, is sinds 897 lekenabt van Echternach en verwerft in juni 896 van Zwentibold — op eigen verzoek, in precarie — het Sint-Servaaskapittel te Maastricht. Die belening bezorgt hem onmiddellijk een conflict met de aartsbisschop van Trier, aan wie Arnulf Sint-Servaas in 889 had geschonken. Zwentibold ontneemt Reginar de abdij in mei 898 weer en ontslaat hem kort daarop als raadgever.
Uit deze breuk volgt het verbond dat Reginar een jaar later in stelling brengt. Reginar wendt zich tot de Westfrankische koning Karel III ‘de Eenvoudige’ Ψ met het verzoek Lotharingen onder zijn gezag te nemen. Een conferentie te Sankt Goar, waar vertegenwoordigers van Karel, Zwentibold en Arnulf bijeenkomen, stelt vast dat de opvolging naar Lodewijk IV moet gaan. De Westfrankische optie is daarmee voor het moment van tafel. Voor Reginar verandert dat weinig aan de praktische greep die hij op de Maasregio heeft. Nog in 900 wordt hij lekenabt van de dubbelabdij Stavelot-Malmedy. De hoogvoogdij van Stavelot zal in de decennia daarna uitgroeien tot een vast attribuut van het Lotharingse hertogsambt; dat Reginar haar al in 900 in handen heeft, zegt iets over de aard van zijn positie lang voordat hij formeel als hertog wordt aangemerkt.
De oorkonden van Lodewijk IV laten zien hoe die positie vaste vorm krijgt. Op 10 september 902 bevestigt de koning een goederenruil tussen Stavelot en Reginarius comes. Op 20 oktober 906 verschijnt Reganarius comes opnieuw in een vergelijkbare transactie. Tussen 906 en 908 wint Reginar Henegouwen terug na de dood van graaf Sigard. Op 18 januari 908 vaardigt Lodewijk een oorkonde uit voor de kerk van Tongeren op verzoek van Kepehardus et Reginharius comites — Reginar verschijnt daar zij aan zij met Gebhard, de man die inmiddels als hertog over het zuidelijk deel van Lotharingen is aangesteld.
De Konradijnen en het hertogsambt van Gebhard
Terwijl Matfriedingen en Reginaren zich rond 900 aan het hof van de jonge koning verdringen, komt een derde factie langs een heel andere weg naar voren. De Konradijnen — in deze jaren de machtigste familie van het hele Oostfrankische rijk — ontlenen hun zwaartepunt aan de Lahngouw, de Wetterau en Franken, met uitlopers in de Avelgouw, Keldachgouw en Hattuarië aan de rechteroever van de Rijn. Keizer Arnulf heeft hen gevraagd als beschermers van zijn zoon Lodewijk IV op te treden, en die voogdijrol blijkt tijdens het minderjarige koningschap een troef van eerste orde. Tegelijk hebben de Konradijnen in hun Oostfrankische thuisland de handen vol aan een bloedige vete met de Babenbergers — nazaten van Hendrik van Babenberg Ψ — waarmee zij pas in 906 definitief afrekenen.
De voornaamste Konradijn in Lotharingen is Gebhard II Ψ, graaf van de Niddagouw, de Rijngouw, de Neder-Lahngouw en de Wetterau. In 903 verleent Lodewijk IV — of liever: het regentschap dat in zijn naam optreedt — hem het hertogsambt. De titel die hem toekomt wordt in de contemporaine bronnen aarzelend geformuleerd: dux regni quod a multis Hlotharii dicitur, “hertog van het koninkrijk dat door velen Lotharius’ rijk wordt genoemd”. Het is een omschrijving die laat zien dat het ambt zijn naam nog zoekt. Gebhard is geen dux Lothariensium naar de modellen die pas in de Ottoonse tijd vaste vorm krijgen; hij is hertog van iets wat formeel geen koninkrijk meer is sinds Zwentibolds dood, maar waarvan de contouren onmiskenbaar herkend worden. Misschien ziet Gebhard zichzelf ook wel als de initiator van een nieuw hertogdom.
Gebhards zeggingsmacht strekt zich uit over de zuidelijke helft van Lotharingen. De Matfriedingen voeren samen met Reginar oppositie tegen hem, maar vinden daarvoor vooralsnog weinig medestanders. In de Maasregio opereert Reginar naast hem als graaf met een eigen profiel. De oorkonde van 18 januari 908 laat het evenwicht zien: beide mannen vragen samen aan de koning om een schenking aan de kerk van Tongeren. Het hertogsambt van Gebhard is geen alleenrecht, het is een rang binnen een samenspel waarin de Lotharingse magnaten hun eigen posities overeind houden.
Dat samenspel eindigt abrupt. Op 22 juni 910 sneuvelt Gebhard in een veldslag tegen de Hongaren die diep in het rijk zijn doorgedrongen. Zijn dood opent een ruimte die Reginar in de maanden daarna zal invullen.
Ondertussen in het noorden: Hamaland en de Meginhardingen
Terwijl in het zuiden Matfriedingen, Reginaren en Konradijnen om de Maasregio wedijveren, opereert aan de benedenloop van Rijn en IJssel een familie waarvan de zichtbaarheid in de bronnen bescheidener is, maar waarvan de positie niet minder gevestigd. De moderne onderzoeksliteratuur duidt haar aan als de Meginhardingen, naar de terugkerende voornaam die van generatie op generatie binnen de familie wordt doorgegeven. Haar zwaartepunt ligt in Hamaland — de streek ten westen van de IJsselvallei waarvan de naam teruggaat op de Germaanse Chamaven. Oorspronkelijk koningsgoed langs de IJssel, onder meer bij Deventer en Zutphen, vormt samen met eigen goed in de Liemers de territoriale kern van hun macht. Aanwijzingen voor een band met de Matfriedingen zijn er; hard is die band op dit moment nog niet te maken.
Aan het hoofd van de familie staat in de laatste jaren voor 900 Eberhard I ‘Saxo’ Ψ, die in 898 overlijdt. Eén bron noemt zijn ambt een ducatus — een aanduiding die minimaal naar een markgraafschap wijst en mogelijk naar meer. Zijn broer Meginhard III Ψ treedt als opvolger aan; één vermelding volstaat de bronnen, daarna blijft het over hem stil. De familielijn gaat door via Meginhards nageslacht naar de latere graaf Wichman IV Ψ, stichter van het stift Elten en grootvader van Adela van Hamaland Ψ. Adela zal, een eeuw later, uit zijn mond nog de overlevering vernemen dat het familie-ambt rond 915 “door politieke verwikkelingen” voor het Hamalandse huis verloren ging — een aantekening die Alpertus van Metz in zijn De diversitate temporum uiteindelijk zal vastleggen.
De positie van de Meginhardingen kent een oude band met de abdij Werden aan de Ruhr. De Liudgeriden — de verwantschapskring rond de stichter Liudger — hebben in de negende eeuw vrijgevig bezit geschonken in streken die later tot het Hamalandse ressort horen, waaronder de Veluwe. In een Werdense oorkonde uit 841 treedt een Meginhard op als advocatus sancti salvatoris de Werthina monasterio. Werden voert oorspronkelijk het Salvator-patrocinium; datzelfde patrocinium keert terug in de burchtkapel van het Hamalandse stamslot Elten. Het is een tastbaar spoor van de verwantschapsband die de familie met de abdijstichters onderhoudt en die haar in de IJssel- en Ruhrregio diepere wortels geeft dan alleen haar eigengoed.
Ook het noordoosten valt binnen deze sfeer. De Hamalandse machtssfeer strekt zich, naar het zich laat aanzien, uit tot in het Landschap Drenthe — niet onder Utrechts bisschoppelijk gezag, dat daar pas in de elfde eeuw zichtbaar wordt, maar als noordelijke uitloper van het Hamalandse gravenhuis. De bronnen voor de jaren 900–906 zelf zwijgen over Drenthe; die stilte is op zichzelf vermeldenswaardig. Wat de latere ontwikkeling voorstelbaar maakt, is niet een verandering in het bestuur, maar het verdwijnen van de bronnenschaduw. De band met Drenthe loopt langs Hamalandse lijnen en zal pas in het begin van de elfde eeuw, wanneer Balderik ‘van Upladium’ Ψ (kasteel Opladen) in een oorkonde voor Utrecht als graaf in Drenthe verschijnt, weer vaste grond onder de voeten krijgen.
Aanzet tot zelfstandigheid
Reginars hernieuwde greep op Henegouwen, Gebhards val tegen de Hongaren en de politieke stilte die Lodewijk IV in zijn laatste levensjaar kenmerkt, vormen samen de aanloop naar een herordening die zich in korte tijd voltrekt. Op 24 september 911 sterft de jonge koning zonder nageslacht. Met hem sterft de Oostfrankische tak van de Karolingers uit. De Lotharingse adel weigert de opvolger die de Oostfrankische groten kiezen — Koenraad I van Franken — trouw te zweren en erkent in plaats daarvan Karel III ‘de Eenvoudige’. Karel beloont Reginar in 915 met de titel van markgraaf: formeel een rangaanduiding, praktisch een hertogsambt zonder de naam.
In dezelfde jaren verliest de noordelijke pool haar ambt. De bronnen zwijgen over de precieze toedracht; wat rest is de overlevering die Alpertus veel later optekent. “Rond 915 door politieke verwikkelingen” — meer zegt hij er niet over. Het Hamalandse huis blijft zijn graafschappen houden, maar de ducatus die Eberhard ‘Saxo’ nog had gevoerd keert niet terug. Pas in de late tiende eeuw, in een heel andere gedaante, zal het ambt als Godfrieds prefectuur opnieuw boven water komen — het is die herleving die drie generaties later in Adela’s ressentiment zal uitmonden.
Bronnen
Primaire bronnen en edities
- Alpertus Mettensis. “De diversitate temporum libri duo.” In Monumenta Germaniae Historica, Scriptores, deel 4, bewerkt door Georg Heinrich Pertz, 702-723. Hannover, 1841.
- Regino van Prüm. “Reginonis abbatis Prumiensis Chronicon cum continuatione Treverensi.” Monumenta Germaniae Historica, Scriptores rerum Germanicarum in usum scholarum 50, bewerkt door Friedrich Kurze. Hannover, 1890.
- Schieffer, Theodor, bewerker. Die Urkunden Zwentibolds und Ludwigs des Kindes. Monumenta Germaniae Historica, Diplomata regum Germaniae ex stirpe Karolinorum IV. Berlin: Weidmannsche Verlagsbuchhandlung, 1960.
Literatuur
- Hlawitschka, Eduard. Lotharingien und das Reich an der Schwelle der deutschen Geschichte. Schriften der Monumenta Germaniae Historica 21. Stuttgart: Anton Hiersemann, 1968.
- Jongbloed, Hein H. “Balderik ‘van Upladium’ (ca. 970 – 5 juni 1021). Karoling met een krasje in nu Gelderse contreien.” Bijdragen en Mededelingen Gelre 103 (2012): 7-43.
- Jongbloed, Hein H. “Listige Immo en Herswind. Een Lotharings-Saksische voorgeschiedenis van Thorn (938 – ca. 990).” Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 146 (2010): 5-103.
- Linssen, C.A.A. Historische opstellen over Lotharingen en Maastricht in de Middeleeuwen. Maaslandse Monografieën 41. Assen/Maastricht: Van Gorcum, 1985.
- Winter, Johanna Maria van. “Die Hamaländer Grafen als Angehörige der Reichsaristokratie im 10. Jahrhundert.” Rheinische Vierteljahrsblätter 44 (1980): 16-46.
- Winter, Johanna Maria van. “Het (palts?)graafschap Zutphen en het Hamalandse gravenhuis.” Bijdragen en Mededelingen Gelre 92 (2001): 57-79.
Online bronnen
- Monumenta Germaniae Historica, digitale uitgave (dMGH). https://www.dmgh.de. Geraadpleegd 11 april 2026.
Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende III des Sonnedages nae sunte Hiëronymus Aemiliani dach, dat was op ten negenden dach der maent van Februarii.