Zoeken

Hertogdom Lotharingen (906-925)

Deel 2 – Op weg naar zelfstandigheid

Aan het begin van 906 bekleedt Gebhard II Ψ uit de Konradijnse familie al drie jaar het hertogsambt over wat de kanselarij van Lodewijk IV ‘het Kind’ Ψ omschrijft als dux regni quod a multis Hlotharii dicitur — hertog van het koninkrijk dat door velen Lotharius’ rijk wordt genoemd. Naast hem heeft Reginar Ψ aan de Maas zijn positie als graaf, lekenabt van Echternach en hoogvoogd van Stavelot-Malmedy geconsolideerd. De Matfriedingen blijven na hun rehabilitatie in 898 in de oppositie. Dit evenwicht houdt het vierentwintig maanden.

Matfriedingen komen in opstand

In 906 grijpen de Matfriedingen hun kans. De Konradijnen hebben hun handen vol aan de eindstrijd met de Babenbergers, die in datzelfde jaar tot een bloedige afrekening komt. De broers Gerhard I van Gulikgouw Ψ en Matfried IV van Metzgouw Ψ bezetten in Trier de abdijen Sint-Maximin en Oeren, die Lodewijk IV kort tevoren aan Gebhard II had toegewezen. De greep is gericht: Gebhards zeggingsmacht over het zuiden van Lotharingen steunt mede op deze rijksabdijen.

Gebhard II is op dat moment zelf betrokken bij de strijd tegen de Babenbergers en laat de vervolging over aan zijn neef, de Konradijn Koenraad ‘de Jongere’ Ψ — de latere koning Koenraad I. Een voortzetting van Regino van Prüm tekent voor 906 aan dat Koenraad een leger in Lotharingen verzamelt en beide broers verslaat. Gerhard en Matfried worden verbannen en hun goederen worden verbeurd verklaard. Reginar treedt bij deze verbeurdverklaring mede op; of hij actief uitvoerder is dan wel vooral profiteert, laat de bron in het midden.

Enige tijd later verzoenen de Matfriedingen zich met het hof en onderwerpen zich aan het rijksgezag. Hun goederen keren grotendeels terug. De oorkonde die Lodewijk IV op 18 januari 908 ten gunste van de kerk van Tongeren uitvaardigt, noemt Gebhard en Reginar zij aan zij als comites; het evenwicht van 903 is hersteld, zij het voor korte duur.

Op 22 juni 910 sneuvelen Gebhard II, Gerhard I en Matfried IV in één slag tegen de Hongaren bij het Lechfeld nabij Augsburg. Drie generaties Lotharingse leiding verdwijnen op één dag van het toneel. Nog geen vijftien maanden later, op 24 september 911, overlijdt Lodewijk IV zonder nageslacht. Met hem sterft de Oost-Frankische tak van de Karolingers uit. Lotharingen staat voor een keuze die de bronnen tot dan toe niet kenden.

Lotharingen komt bij West-Franken

In Oost-Franken verheffen de groten in november 911 Koenraad ‘de Jongere’ tot koning. Voor Reginar is deze uitkomst ongelukkig: waar Hlawitschka reconstrueert dat Reginar als dux regni zelf op Gebhards opvolging had gehoopt, gaat dat ambt nu aan hem voorbij. De Lotharingse adel — bisschoppen, lekengroten en grafelijke families gezamenlijk — zweert Koenraad geen trouw en wendt zich tot Karel III ‘de Eenvoudige’ Ψ van West-Franken. De beweging is breder dan Reginar alleen; Bauer en Parisse wijzen erop dat de bisschoppen van Trier, Luik en Metz een eigen belang hadden bij aansluiting bij de Westfrankische Karolingers. De overstap voltrekt zich mogelijk al voor Lodewijks dood.

Karel III laat zich niet tot koning van Lotharingen zalven. Hij voert de titel rex Francorum en behandelt Lotharingen als vanzelfsprekend onderdeel van zijn Karolingische erfenis — een signaal dat hij het rijk geen afzonderlijke status toedicht. Koenraad legt zich niet neer bij de gang van zaken. In 912 valt hij Lotharingen twee keer binnen, in 913 een derde keer. Geen enkele veldtocht levert resultaat op. Wanneer aartsbisschop Radboud van Trier Ψ in 913 eveneens naar Karel III overgaat, is het pleit beslecht. De rijksgrens van 843 wordt opnieuw getrokken.

Karel beloont Reginar in 915 met de titel marchio — formeel een rangaanduiding, praktisch een hertogsambt zonder de naam. Reginar overlijdt enkele maanden later, vermoedelijk in augustus of september 915. Hij wordt opgevolgd door zijn zonen Giselbert Ψ en Reginar II Ψ.

Verraad …

Giselbert staat niet in de gunst van Karel III. Flodoard van Reims, wiens Annalen vanaf 919 de belangrijkste bron voor de Lotharingse politiek vormen, wijst op Giselberts weigering om naast Karels favoriet Hagano te dienen — een kamerling van bescheiden afkomst die de koning tegen het advies van zijn magnaten aan zich had gebonden. Rond Hagano ontwikkelt zich aan het Westfrankische hof een bredere crisis. Het is de vraag of Giselbert de grafelijke titel überhaupt voert; zijn jongere broer Reginar II treedt meteen na 915 als graaf van Henegouwen op, Giselbert zelf niet.

In 919 ontvlucht Giselbert Lotharingen en zoekt steun bij de nieuwe Oost-Frankische koning Hendrik I ‘de Vogelaar’ Ψ, die in datzelfde jaar op Koenraad is gevolgd. Voor Hendrik opent dit een mogelijkheid om zich met Lotharingen te bemoeien zonder zelf een veldtocht te hoeven beginnen. Een deel van de Lotharingse adel komt volgens Flodoard in opstand en erkent Giselbert als princeps — rechtmatig heerser, al laat de kroniekschrijver in het midden hoe breed die steun werkelijk is.

Karel III 'de Eenvoudige' en Hendrik I 'de Vogelaar' sluiten op 7 november 921 op een schip midden op de Rijn bij Bonn een vriendschapsverdrag. Een bisschop treedt op als getuige. Voor Giselbert is bij dit verdrag geen rol weggelegd (AI-gegenereerd).
Karel III ‘de Eenvoudige’ en Hendrik I ‘de Vogelaar’ sluiten op 7 november 921 op een schip midden op de Rijn bij Bonn een vriendschapsverdrag. Een bisschop treedt op als getuige. Voor Giselbert is bij dit verdrag geen rol weggelegd (AI-gegenereerd).

Op 7 november 921 sluiten Karel III en Hendrik I op een schip midden op de Rijn bij Bonn het vriendschapsverdrag dat sindsdien als een van de eerste diplomatieke verdragen van zijn soort geldt. Hendrik erkent Karels aanspraken op Lotharingen, Karel erkent Hendrik als gelijkwaardig koning. Voor Giselbert is geen rol weggelegd. Vermoedelijk heeft Hendrik zijn erkenning bewust geofferd voor het grotere gewin.

… dubbelverraad …

Giselbert ziet dat Hendrik hem niet als princeps zal erkennen en steunt vervolgens de troonaanspraken van hertog Robert I van Francië Ψ, de machtigste van Karels Westfrankische rivalen. De berekening ligt voor de hand: wie Robert tot koning maakt, kan op zijn beurt de erkenning als princeps innen.

Na enkele veldslagen wordt Robert I in 922 tot tegenkoning uitgeroepen en Karel III Lotharingen in gedreven. Karel doet een beroep op het verdrag van Bonn. Hendrik I reageert niet. In plaats daarvan ontmoet hij Robert, en het resultaat is de opzegging van het verbond van 921. Op 15 juni 923 komt het bij Soissons tot de beslissende slag. Robert sneuvelt op het slagveld, maar zijn partij wint. Karel III wordt kort daarop door Heribert II van Vermandois Ψ — schoonzoon van de gesneuvelde Robert — onder valse voorwendselen gevangen genomen. Hij zal op 7 oktober 929 in gevangenschap te Péronne overlijden.

Een andere schoonzoon van Robert, Rudolf I van Bourgondië Ψ, wordt op 13 juli 923 te Soissons tot koning gezalfd. Giselbert loopt opnieuw over, ditmaal naar Hendrik I. Rudolf blijkt niet van zins hem als princeps te erkennen. Twee korte invallen van Hendrik volstaan om de Lotharingse edelen te overtuigen: zij erkennen hem als hun koning. Na een tegeninval van Rudolf sluit Hendrik met zijn Westfrankische tegenspeler een wapenstilstand.

… en driedubbelverraad

In 925 is Giselbert opnieuw van kamp gewisseld, nu naar Rudolf I. Flodoard meldt voor dat jaar dat Hendrik persoonlijk de burcht van Zülpich belegert, waarin Giselbert zich heeft verschanst. Widukind van Corvey bevestigt in zijn Res gestae Saxonicae de inzet. Hendrik benoemt een Matfriedinger tot bisschop van Verdun en stuurt de Konradijn Eberhard van Franken Ψ — broer van de overleden Koenraad I en de voornaamste Konradijnse machtshouder na 918 — naar Lotharingen om de adel voor zich te winnen. Dat Hendrik zijn vroegere rivalen nu als bondgenoten mobiliseert, laat zien hoe ver de stabilisering van het rijk gevorderd is.

De Lotharingers laten zich paaien, maar het pleit is daarmee niet beslecht. Zij zijn gewend zelfstandig op te treden door voortdurend van kamp te wisselen; van integratie in het Oost-Frankische rijk is nog geen sprake. Hendrik kiest voor de voorliggende oplossing. Hij verheft Giselbert tot hertog van Lotharingen. Daarmee komt het ambt in handen van degene die het gedurende zes jaar had gezocht, en krijgt Hendrik de man die alle kampen kent aan zijn zijde — zolang het hem past.

Hendrik I 'de Vogelaar' verheft Giselbert in 925 tot hertog van Lotharingen. De man die gedurende zes jaar alle kampen had beproefd, ontvangt het ambt dat zijn vader Reginar was onthouden (AI-gegenereerd).
Hendrik I ‘de Vogelaar’ verheft Giselbert in 925 tot hertog van Lotharingen. De man die gedurende zes jaar alle kampen had beproefd, ontvangt het ambt dat zijn vader Reginar was onthouden (AI-gegenereerd).

Naar het hertogdom van Giselbert

Met de terugkeer van Lotharingen naar het Oost-Frankische rijk in 925 verschuift ook de staatkundige positie van de noordelijke gewesten. De IJsselregio, het latere Oversticht en het Landschap Drenthe vallen binnen het Lotharingse rijk en keren daarmee onder Oost-Frankisch gezag terug. De bronnen zwijgen voor deze jaren over de regio zelf; wat zich in Hamaland, aan de IJssel en in Drenthe afspeelt blijft buiten het beeld van Regino, Flodoard en Widukind. De doorwerking van de gebeurtenissen van 906–925 wordt in Oost-Nederland pas in de Ottoonse tijd zichtbaar, wanneer de verhouding tussen het hertogdom en de IJssel-bisdommen vaste vorm krijgt.

Giselberts verheffing sluit een periode van twintig jaar af waarin Lotharingen driemaal van kroon wisselde en tweemaal tussen rijken schoof. Het hertogdom dat hij in 925 aanvaardt, is niet meer het regnum van Zwentibold, niet meer de onbenoemde hertogelijke ruimte van Gebhard, maar een rijksdeel met een eigen naam, eigen groten en een eigen rekening met de koning. Deel 3 zal laten zien hoe Giselbert die rekening beheert.

Bronnen

Primaire bronnen en edities

  • Flodoard van Reims. Les Annales de Flodoard. Bewerkt door Philippe Lauer. Collection de textes pour servir à l’étude et à l’enseignement de l’histoire 39. Paris: Picard, 1905. Digitaal via Gallica, https://gallica.bnf.fr. Geraadpleegd 12 april 2026.
  • Die Urkunden Konrad I., Heinrich I. und Otto I. Bewerkt door Theodor Sickel. Monumenta Germaniae Historica, Diplomata regum et imperatorum Germaniae 1. Hannover: Hahnsche Buchhandlung, 1879–1884. Digitaal via dMGH, https://www.dmgh.de. Geraadpleegd 12 april 2026.
  • Monumenta Germaniae Historica, Constitutiones et acta publica imperatorum et regum, deel 1. Bewerkt door Ludwig Weiland. Hannover: Hahnsche Buchhandlung, 1893. Tekst van het verdrag van Bonn (921), nr. 1. Digitaal via dMGH, https://www.dmgh.de. Geraadpleegd 12 april 2026.
  • Regino van Prüm. Reginonis abbatis Prumiensis Chronicon cum continuatione Treverensi. Bewerkt door Friedrich Kurze. Monumenta Germaniae Historica, Scriptores rerum Germanicarum in usum scholarum 50. Hannover: Hahnsche Buchhandlung, 1890. Digitaal via dMGH, https://www.dmgh.de. Geraadpleegd 12 april 2026.
  • Recueil des actes de Charles III le Simple, roi de France (893–923). Bewerkt door Philippe Lauer. Chartes et diplômes relatifs à l’histoire de France. Paris: Imprimerie nationale, 1940–1949.
  • Schieffer, Theodor, bewerker. Die Urkunden Zwentibolds und Ludwigs des Kindes. Monumenta Germaniae Historica, Diplomata regum Germaniae ex stirpe Karolinorum IV. Berlin: Weidmannsche Verlagsbuchhandlung, 1960. Digitaal via dMGH, https://www.dmgh.de. Geraadpleegd 12 april 2026.
  • Widukind van Corvey. Res gestae Saxonicae. Bewerkt door Paul Hirsch en Hans-Eberhard Lohmann. Monumenta Germaniae Historica, Scriptores rerum Germanicarum in usum scholarum 60. Hannover: Hahnsche Buchhandlung, 1935. Digitaal via dMGH, https://www.dmgh.de. Geraadpleegd 12 april 2026.

Literatuur

  • Airlie, Stuart. Power and its Problems in Carolingian Europe. Variorum Collected Studies. Farnham: Ashgate, 2012.
  • Bauer, Thomas. Lotharingien als historischer Raum. Raumbildung und Raumbewußtsein im Mittelalter. Rheinisches Archiv 136. Köln, Weimar en Wien: Böhlau, 1997.
  • Hlawitschka, Eduard. Lotharingien und das Reich an der Schwelle der deutschen Geschichte. Schriften der Monumenta Germaniae Historica 21. Stuttgart: Anton Hiersemann, 1968.
  • MacLean, Simon. History and Politics in Late Carolingian and Ottonian Europe: The Chronicle of Regino of Prüm and Adalbert of Magdeburg. Manchester: Manchester University Press, 2009.
  • Parisse, Michel. “Lotharingia.” In The New Cambridge Medieval History, deel III: c. 900 – c. 1024, bewerkt door Timothy Reuter, 310–327. Cambridge: Cambridge University Press, 1999.
  • Reuter, Timothy. Medieval Polities and Modern Mentalities. Bewerkt door Janet L. Nelson. Cambridge: Cambridge University Press, 2006.
  • Schneidmüller, Bernd. Die Welfen. Herrschaft und Erinnerung (819–1252). Stuttgart: Kohlhammer, 2000.
  • West, Charles. Reframing the Feudal Revolution: Political and Social Transformation between Marne and Moselle, c. 800 – c. 1100. Cambridge: Cambridge University Press, 2013.

Online bronnen

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende III des Wonnesdages nae sunte Onse Lieve vrouwe van Lourdes dach, dat was op ten twaalfden dach der maent van Februarii.