Zoeken

Hertogdom Lotharingen (957-959)

Deel 4 – Het einde van Lotharingen

Een aartshertog aan het bewind

De positie van Bruno Ψ van Keulen is zonder precedent. Sinds september 953 bekleedt hij tegelijk twee hoge ambten: hij is aartsbisschop van Keulen en hertog van Lotharingen. Tijdgenoten vatten die dubbelfunctie samen in één woord: ‘archidux‘, letterlijk ‘aartshertog’.

De combinatie is geen staaltje van dynastieke grootheidswaan maar een noodgreep van Otto I. Na de opstand van 953–954, waarin Otto’s zoon Liudolf en zijn schoonzoon Koenraad ‘de Rode’ — destijds hertog van Lotharingen — openlijk tegen de koning in verzet kwamen, is het vertrouwen in uithuwelijkbare kandidaten voor het hertogsambt aangetast. Alleen zijn eigen broer komt nog in aanmerking. Omdat Bruno als geestelijke geen dynastieke opvolging kan voortbrengen, draagt hij ook geen kiem van toekomstige rebellie in zich. De oplossing is als tijdelijk bedoeld, maar de dood van Koenraad op het Lechfeld in 955 doet de omweg lang duren.

Voor de Lotharingse aristocratie is Bruno, ondanks zijn Ottoonse wortels, een buitenstaander. Het hertogdom is in hun ogen al generaties lang inheems terrein, en de Reginaren hebben op die traditie de zwaarste aanspraken. Reginar III Ψ van Henegouwen heeft erop gerekend dat het hertogsambt na Koenraads val aan hem zou toevallen. Dat Otto I in plaats daarvan zijn broer op de hertogsstoel zet, wekt in Lotharingse kringen niet alleen teleurstelling maar ook wantrouwen.

Reginar III zoekt daarom zelf naar wegen om zijn positie te versterken. In 955 zet hij zijn neef Balderik I Ψ op de bisschopszetel van Luik, tegen de uitdrukkelijke wens van Bruno in. Het is een zuiver machtspolitieke zet: met een verwant op de Luikse stoel beschikt Reginar III over een bondgenoot in het hart van Lotharingen.

De eed van 955 en het conflict met Reginar III

Om de onrust in te dammen laat Bruno zijn tegenstanders, onder wie Reginar III, een eed afleggen. Zij beloven daarin het koninklijk goed te zullen eerbiedigen. Zo’n eed is in de tiende eeuw zwaarwegend — en tegelijk makkelijk te breken. Al in 956 slaat Reginar III de hand aan het weduwegoed van zijn tante Gerberga Ψ en aan kerkgoederen van Reims. In het conflict dat daarop volgt worden zijn vrouw Adela Ψ, dochter van graaf Lambert van Maasgouw Ψ, en hun beide zoons Reginar IV Ψ en Lambert I ‘met de Baard’ Ψ gevangen genomen.

Vermoedelijk speelt ook Lothar III Ψ, koning van Frankrijk (954–986), een rol bij de achterliggende spanningen. Hij is de zoon van Lodewijk IV Ψ en Gerberga, en daarmee een halfneef van Reginar III. De Franse belangstelling voor Lotharingen is met zijn troonsbestijging in 954 aanzienlijk toegenomen, al was het maar omdat zijn naam op zichzelf al een politiek programma uitdrukt.

Door bemiddeling van Bruno weet Reginar III zijn familie vrij te krijgen. De prijs is hoog: hij levert alle veroverde gebieden in. Maar de onderliggende tegenstelling blijft bestaan.

De opstand van 957 en de deportatie van 958

In 957 ontketent Reginar III een algemene opstand. Voor Bruno is de maat dan vol. Samen met Lothar III van Frankrijk valt hij Reginar III van twee kanten aan — een ongemakkelijke coalitie, want Lothar III is tegelijk een natuurlijke bondgenoot van de Reginaren, maar zijn belang bij stabiliteit aan zijn oostgrens weegt op dit moment zwaarder dan familiaire sympathieën. Reginar III ziet het hopeloze van zijn zaak in en geeft zich over.

De juridische afwikkeling volgt in 958 en is meedogenloos. Reginar III wordt schuldig bevonden aan hoogverraad, omdat hij zijn eed uit 955 heeft gebroken. In juni 958 wordt hij verbannen naar Bohemen, ver genoeg om geen politieke rol meer te kunnen spelen. Zijn goederen vervallen aan de kroon, een rijke buit. Zijn zonen Reginar IV en Lambert I vluchten naar Frankrijk, waar ze in ballingschap verblijven. Van hen zal Lotharingen niet snel af zijn — een generatie later zullen ze terugkeren om hun vaders graafschappen op te eisen.

De zuivering van 958 reikt verder dan Reginar III alleen. Ook diens familie en aanhangers worden uit hun ambten gezet, hun goederen geconfisqueerd. In die leegte duwt Bruno een vertrouweling naar voren: Godfried I Ψ, die op 11 en 13 juni 958 oorkondelijk is vermeld als graaf van Henegouwen — de door Reginar III verbeurde grafelijke positie. Godfrieds opkomst is hiermee al in gang gezet voordat hij een jaar later tot hertog wordt verheven.

De tweedeling van 959

Bruno’s definitieve antwoord op bijna tien jaar Lotharingse onrust valt in 959 en is institutioneel van aard. Niet één opvolger wordt aangesteld, maar twee hertogen met beperktere ambtsgebieden. Lotharingen wordt opgesplitst in Opper- en Neder-Lotharingen.

De beslissing volgt uit een structureel probleem. De kring van betrouwbare koningsverwanten die voor het hertogsambt in aanmerking komen, is uitgeput. In 939 bleek Giselbert, Otto’s zwager, politiek onbetrouwbaar. In 953–954 bewezen Liudolf en Koenraad ‘de Rode’ hetzelfde. Otto en Bruno passen nu een oud principe toe: divide et impera; verdeel en heers. Twee hertogen met kleinere ambtsgebieden zijn minder gevaarlijk dan één met de macht over geheel Lotharingen, en de onderlinge controle die ze op elkaar uitoefenen is een welkome bijwerking. Bruno zelf blijft als archidux nog enige tijd toezicht houden.

Voor het zuiden benoemt Bruno graaf Frederik I van Bar Ψ als hertog van Opper-Lotharingen. Frederik I is een neef van Reginar III via moeders kant, wat hem in staat stelt via familiebanden delen van het Reginaarsche erfgoed op te vangen zonder politieke ontploffing. Bovendien trouwt hij met Beatrix Ψ, dochter van Hugo van Francië ‘de Grote’ Ψ en Hadwig van Saksen Ψ, een nicht van Otto I. Daarmee wordt de nieuwe hertog stevig aan het Ottoonse koningshuis geknoopt. Frederiks ambtsgebied ligt hoofdzakelijk in het zuiden; dit hertogdom verdwijnt daarmee uit het gezichtsveld van deze website.

In het noorden — het voor Oost-Nederland relevante deel — gaan de Reginaarse goederen naar Godfried I, de reeds genoemde graaf van Henegouwen, en bovendien graaf van Keulengouw en Gillgouw en paltsgraaf van Lotharingen. Zijn ambtsgebied krijgt al spoedig de naam Neder-Lotharingen. Godfried I van Neder-Lotharingen is daarmee de eerste hertog van Neder-Lotharingen (959–964).

Godfrieds benoeming is geen toeval en geen louter politieke berekening. Zijn vader was paltsgraaf Godfried van Lotharingen, gehuwd met Ermentrud Ψ; hij is daarmee een Ottonenverwant in de directe kringen van het koningshuis, zij het op enkele generaties afstand. Maar belangrijker dan bloedverwantschap is zijn persoonlijke band met Bruno. Ruotger van Keulen, die kort na Bruno’s dood tussen 967 en 969 diens levensbeschrijving opstelt, zegt in één kernachtige zinsnede wat die band betekent: Godefridus dux, quem ipse nutrivit — ‘hertog Godfried, die hij zelf heeft grootgebracht’. Godfried I is door Bruno persoonlijk opgevoed en bestuurlijk gevormd, klaargestoomd voor het ambt dat hem in 959 toevalt. Hij is tegelijk verwant en discipel.

Dat de Franse aanspraken op Lotharingen bij dit alles niet uit het zicht raken, blijkt uit een detail rond Pasen 959. De Franse koning Lothar III viert dan met zijn moeder Gerberga het feest bij zijn oom Bruno in Keulen, en doet daar uitdrukkelijk afstand van alle Franse aanspraken op Lotharingen. Het gebaar is symbolisch maar niet onbeduidend. De stabilisering van Lotharingen is geen interne aangelegenheid van het Oost-Frankische rijk alleen; ze raakt ook de verhouding tot het Westfrankische koningshuis, waarover het Ottonenhuis sinds 945 een de facto protectoraat uitoefent. Bruno consolideert zijn positie langs beide grenzen tegelijk.

De opstand van Immo (959–960)

De tweedeling van 959 brengt geen rust. Nog hetzelfde jaar komt de Lotharingse graaf Immo Ψ in openlijk verzet. Flodoardus, de aartsbisschoppelijke kanunnik van Reims wiens Annales een van de voornaamste eigentijdse bronnen over Lotharingen zijn, meldt dat Immo eerst raadsman (consiliarius) van Bruno was geweest. In 959 gaat hij in de contramine, zogenaamd tegen Bruno’s plannen om burchten van de inheemse adel neer te halen en ongewone lasten op te leggen. Het jaar daarop verschanst hij zich op de burcht Chèvremont boven de Vesder, een sterkte waarop meer dan één belegeraar zich al eens de tanden had stukgebeten. Zijn medestander Robert I van Namen Ψ versterkt ondertussen Namen. Bruno trekt op naar Chèvremont, maar de burcht is ruim voorzien van voorraden terwijl in de wijde omgeving niets meer te halen is. Bruno moet een wapenstilstand sluiten en keert onverrichter zake terug naar Keulen.

Reconstructie van kasteel Chèvremont boven de Vesder, waar Immo zich in 960 tegen hertog Bruno verschanste (AI-gegenereerd).
Reconstructie van kasteel Chèvremont boven de Vesder, waar Immo zich in 960 tegen hertog Bruno verschanste (AI-gegenereerd).

Wat drijft Immo tot deze opstand? De bronnen laten zijn motief zich raden. Hein Jongbloed heeft deze Immo overtuigend geïdentificeerd als Irmfried Ψ, broer van bisschop Balderik van Utrecht Ψ (918–976), tevens vice-voogd van de abdij Stavelot en sinds april of mei 959 graaf van de Condroz — een grafelijke positie die door de Reginaarsche zuivering was vrijgekomen. Immo had dus zelf geprofiteerd van de val van Reginar III. Als raadsman van Bruno had hij bovendien voorkennis over wie voor de twee hertogdommen werd uitverkoren — en wie niet. Dat zijn eigen naam niet op die lijst stond, heeft hij niet kunnen verkroppen. Zijn opstand van 959–960 is geen dynastieke claim en geen ideologisch protest, maar een uitbarsting van gekrenkte ambitie.

Dit vergt een bronkritische kanttekening. In de oudere en deels ook recentere historiografie worden verschillende Lotharingers met de naam Immo, Irmfried of Ermenfried nogal eens door elkaar gehaald. Ook de lokalisering is niet overal gelijk: sommige auteurs spreken van een Irmfried ‘van de Luihgouw’ die in 958 een algemene opstand zou hebben geleid. Deze website volgt de reconstructie van Jongbloed, die op grond van de Stavelotse oorkondes, Flodoardus en de Vita Brunonis altera aannemelijk maakt dat het om één en dezelfde persoon gaat — Irmfried, broer van bisschop Balderik van Utrecht — en dat zijn opstand niet in 958 maar in 959–960 valt.

De verzoening die op de wapenstilstand volgt, moet kort na 960 tot stand zijn gekomen. Immo/Irmfried is later nog met de graventitel in de bronnen terug te vinden, wat onmogelijk zou zijn geweest zonder rehabilitatie. De oude patronen van schorsing, verzoening en ambtsherstel blijven zo ook in de nadagen van Lotharingen werken.

Een hertogdom in wording

De benoeming van Godfried I heeft gevolgen die verder reiken dan Lotharingen alleen. Door zijn eerste huwelijk heeft Godfried belangen verworven in het Hamalandse gebied rondom Deventer — juist de streek die voor de IJsselas van betekenis is. Het hertogdom dat in 959 zijn omtrekken krijgt, raakt daarmee indirect aan de graafschappen die later de kern zullen vormen van wat Gelre en het Oversticht worden. De herstructurering van Lotharingen in 959 is zo niet alleen een machtspolitieke regeling voor het westen; ze tekent ook de contouren van de gezagsstructuren die de IJsselgebieden in de komende generaties zullen bepalen. Hoe die lijn doorloopt via Godfrieds nazaten — zijn kleinzoon Gozelo I ‘de Grote’ Ψ wordt in een oorkonde van Hendrik III uit 1046 postuum als graaf van Drenthe aangemerkt — komt aan bod in de reeks over hertogdom Neder-Lotharingen.

Bronnen

Primaire bronnen en edities

  • Flodoardus van Reims. Annales. In Monumenta Germaniae Historica, Scriptores III, bewerkt door Georg Heinrich Pertz, 363–408. Hannover: Hahn, 1839. Digitaal beschikbaar via dMGH (geraadpleegd 18 april 2026).
  • Ruotger van Keulen. Vita Brunonis archiepiscopi Coloniensis. Bewerkt door Irene Ott. Monumenta Germaniae Historica, Scriptores rerum Germanicarum Nova Series X. Weimar: Hermann Böhlaus Nachfolger, 1951. Sleutelpassage cap. 41 (p. 43): Godefridus dux, quem ipse nutrivit. Digitaal beschikbaar via dMGH   (geraadpleegd 18 april 2026).
  • Monumenta Germaniae Historica, Diplomata regum et imperatorum Germaniae 5, Die Urkunden Heinrichs III. (Heinrici III. Diplomata), nr. 152 (22 mei 1046), bewerkt door Harry Bresslau en Paul Kehr. Berlin: Weidmann, 1926–1931. Oorkonde waarin Hendrik III het graafschap Drenthe, vacant post obitum Gozlini ducis nostre dicioni in Thrente, aan de bisschop van Utrecht overdraagt. Digitaal beschikbaar via dMGH  (geraadpleegd 19 april 2026).
  • Vita Brunonis altera. In Monumenta Germaniae Historica, Scriptores IV, bewerkt door Georg Heinrich Pertz, p. 275–279. Hannover: Hahn, 1841. Digitaal beschikbaar via dMGH (geraadpleegd 18 april 2026).
  • Monumenta Germaniae Historica, Diplomata Otto I, nrs. 194 en 195 (11 en 13 juni 958), bewerkt door Theodor Sickel. Hannover: Hahn, 1879–1884. Oorkonden waarin Godfried I als graaf van Henegouwen optreedt. Digitaal beschikbaar via dMGH (geraadpleegd 18 april 2026).

Literatuur

  • Althoff, Gerd. Die Ottonen: Königsherrschaft ohne Staat. Stuttgart: Verlag W. Kohlhammer, 2000.
  • Jongbloed, Hein H. ‘Tussen “paltsverhaal” en “IJssellinie”: de Hamalandse graafschappen en de Deventer oorkonden van 952, 956 en 960.’ Bijdragen en Mededelingen Gelre 97 (2006): 45–98.
  • Jongbloed, Hein H. ‘Die Xantener Gottfriede: Zur Rekonstruktion der niederlothringischen Herzogsfamilie 959–1012.’ Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 12 (2009): 1–57.
  • Jongbloed, Hein H. ‘Listige Immo: carrière en genealogie van een Lotharingse opportunist.’ Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 146 (2010): 1–58.
  • Linssen, C.A.A. Historische opstellen over Lotharingen en Maastricht in de Middeleeuwen. Assen/Maastricht: Van Gorcum, 1985.
  • Nonn, Ulrich. Pagus und Comitatus in Niederlothringen. Bonn: Ludwig Röhrscheid Verlag, 1983.
  • Schieffer, Rudolf. Die Karolinger. Stuttgart: Verlag W. Kohlhammer, 1992.
  • Van Winter, Johanna Maria. ‘De voornaamste adellijke geslachten in de Nederlanden 10de en 11de eeuw.’ In Algemene Geschiedenis der Nederlanden, deel 1, Middeleeuwen, 120–136. Bussum: Unieboek, 1981.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende III des Manendages nae sunte Polycarpus van Smyrna dach, dat was op ten vierten ende twintigsten dach der maent van Februarii.