Zoeken

De opkomst en ondergang van hertogdom Neder-Lotharingen (959-977)

Deel 1 – De opkomst van het huis Verdun

De splitsing van Lotharingen (959)

Sinds de dood van hertog Giselbert Ψ in 939 is Lotharingen een politiek kruitvat. De Reginaren, Matfriedingen, Konradijnen en Meginhardingen beconcurreren elkaar om invloed, de Oost- en Westfrankische koningen houden elk een oogje in het zeil, en het ambtsgebied is te uitgestrekt om door één hertog bestuurd te worden.

Otto I Ψ zoekt naar een oplossing en vindt die in zijn jongere broer Bruno Ψ, sinds 953 aartsbisschop van Keulen en tegelijk hertog van Lotharingen. Bruno voert als archiducatus het hertogelijk gezag over het hele gebied, maar delegeert het bestuur.

Het hertogdom Neder-Lotharingen na de splitsing van 959. In groen het ambtsgebied van Godfried I. De gestippelde rode lijn geeft de taalgrens weer. (AI-gegenereerd op basis van Joostik, CC0, via Wikimedia Commons).
Het hertogdom Neder-Lotharingen na de splitsing van 959. In groen het ambtsgebied van Godfried I. De gestippelde rode lijn geeft de taalgrens weer. (AI-gegenereerd op basis van Joostik, CC0, via Wikimedia Commons).

In 959 hakt Bruno de knoop door. Hij splitst Lotharingen in Opper- en Neder-Lotharingen en stelt voor elk deel een afzonderlijke vice-hertog (marchio, markgraaf) aan. In het zuiden wordt Frederik I van Bar Ψ aangesteld, een telg uit het Ardenner gravenhuis. In het noorden krijgt Godfried het gezag. Zolang Bruno leeft opereren beiden onder zijn oppergezag; na Bruno’s dood op 11 oktober 965 zetten zij hun ambt zelfstandig als hertog voort.

Het moment van de splitsing valt samen met een grondige reorganisatie van de machtsverhoudingen in de noordwestelijke rijksgebieden. In 944 had Otto I het Hamalandse gravenhuis al deels begenadigd na de Lotharingse opstand van 938-939: Meginhards zoons Everhard I en Wichman (IV) Ψ kregen de graafschappen van hun vader terug volgens een noord-zuidschema. Everhard werd graaf in Salland, Drenthe, en Hunsingo-Fivelgo, Wichman in Hamaland en op de Veluwe. Terwijl Bruno in 959 zijn Lotharingse hervorming doorvoert, bestieren Everhard en Wichman dus al een kleine twintig jaar de Oost-Nederlandse graafschappen die direct tegen de noordoostelijke flank van het nieuwe Neder-Lotharingen aan liggen. De Utrechtse bisschopszetel, met zijn eigen gezag over de Oversticht en Drenthe, valt in deze jaren onder de politieke schaduw van Keulen: Bruno’s archiducatus reikt tot aan de Rijndelta.

Godfried I Ψ, eerste hertog van Neder-Lotharingen (959-964)

Godfried stamt uit het huis van de Lotharingse paltsgraaf Wigeric Ψ (†vóór 922) en Kunigunde Ψ, een kleindochter van de West-Frankische koning Lodewijk ‘de Stamelaar’. Wigeric en Kunigunde stichten het Ardenner huis waaruit zowel de linie Bar als de linie Verdun zal voortkomen. Hun zoon, paltsgraaf Godfried van Lotharingen Ψ, huwt Ermentrud Ψ, de oudste dochter van de afgezette Karolingische koning Karel III ‘de Eenvoudige’ Ψ. Hun zoon is de Godfried I die in 959 de eerste hertog van Neder-Lotharingen wordt. Langs zijn vaders lijn is hij dus een verre Ottonen-verwant, langs zijn moeders lijn is hij een bloedverwante Karoling. Die dubbele afkomst maakt hem voor Otto I en Bruno tot een geschikte kandidaat: standvastig genoeg om in Lotharingen gezag uit te oefenen, verwant genoeg om loyaal te blijven.

Godfried I is niet onervaren wanneer hij in 959 wordt aangesteld. Al in 958 treedt hij oorkondelijk op als graaf van Henegouwen, na de verdrijving van de Reginaren. In 962 verschijnt hij daarnaast als graaf in de Gillgau. De Reginaren-verbanning gaat terug op de rebellie van Reginar III Ψ van Henegouwen, die in 957 onder Bruno’s gezag werd afgezet en naar Bohemen verbannen. Henegouwen, het oude Reginaren-bolwerk, werd verdeeld onder vertrouwelingen van de keizer, en Godfried is er de centrale plaatsvervanger.

Een opmerkelijk toeval in perkament: Godfried I hertog van Neder-Lotharingen (†5 juni 964) en Adela 'van Hamaland' (†6 juni) op dezelfde pagina van het oudste Xantens necrologium. Reproductie uit W. Bader, Das älteste Totenbuch des Stiftes Xanten, deel 2, Kevelaer 1959, fol. 43v (fragment).
Een opmerkelijk toeval in perkament: Godfried I hertog van Neder-Lotharingen (†5 juni 964) en Adela ‘van Hamaland’ (†6 juni) op dezelfde pagina van het oudste Xantens necrologium. Reproductie uit W. Bader, Das älteste Totenbuch des Stiftes Xanten, deel 2, Kevelaer 1959, fol. 43v (fragment).

Godfried huwt Alpaidis ‘van Kamerijk’ Ψ, dochter van Arnulf I van Kamerijk Ψ en Bertha Ψ, de laatstgenoemde een dochter van graaf Nevelung van Betuwe Ψ. Via Alpaidis verkrijgt Godfried I, naar het zich laat aanzien, aanspraken op goederen in het Kamerijkse. Het echtpaar krijgt minstens drie zoons: Godfried Ψ, Arnulf I van Florennes Ψ en Widerik Ψ. Arnulf I wordt door de oorkonde van 981 waarin zijn weduwe-moeder Alpaidis de abdij Waulsort begunstigt als oudste genoemd vóór zijn broer Widerik, maar de Geschiedenis van Waulsort wijst Godfried als oudste zoon aan, vernoemd naar zijn grootvader van vaderszijde. Hij is het die later in de bronnen zal terugkeren als ‘de oude prefect’, markgraaf van ‘Middenrijks Friesland’. Een vierde kind, dochter Gerberga (van Gennep) Ψ, huwt Karel van Neder-Lotharingen Ψ — die verbintenis komt in het vervolg aan bod.

Godfrieds zuster Gerberga Ψ is getrouwd met Megingoz van Geldern, voogd van Gelre. Deze verbinding is historiografisch van belang. Megingoz komt in juli 944 door persoonlijke bemiddeling van Otto I’s broer Hendrik in Elten voor: de keizer herstelt Megingoz daar in zijn geconfisqueerde goederen. De episode markeert de eerste traceerbare brug tussen de Verdun-Keulen-as en het Hamalands-Eltense complex, en valt niet toevallig samen met de begenadiging van Everhard en Wichman. Bij het stichten van de stift Wilich zullen Megingoz en Gerberga later nog een zichtbare rol spelen.

Als hertog heeft Godfried weinig tijd om een eigen dynastie te vestigen. Bruno houdt het politieke primaat, en Godfried opereert binnen die schaduw. Zijn bestuur laat zich vooral indirect reconstrueren: via zijn aanwezigheid in oorkonden, via zijn verbindingen met het Kamerijkse netwerk, en via de geografische spreiding van zijn graafschappen. Dat hij actief optreedt tegen opstandige lokale figuren, zoals oudere reconstructies veronderstellen op grond van een vermeende confrontatie met ‘Irmfried van Luihgouw’, berust op een identificatie die sinds de herdatering van de Immo-revolte (959-960) en de heridentificatie van Irmfried als broer van bisschop Balderik Ψ van Utrecht niet langer houdbaar is. Van een gedocumenteerde confrontatie tussen hertog Godfried I en een ‘Irmfried van Luihgouw’ is in de bronnen geen spoor. Wel staat vast dat Godfried in 964 keizer Otto I vergezelt op diens tweede Italiaanse reis. Onderweg breekt in het keizerlijk gevolg de pest uit. Godfried bezwijkt eraan, vermoedelijk nabij Rome. Het oudste Xantens necrologium noteert zijn sterfdag op 5 juni 964. Hij laat zijn kinderen minderjarig achter.

De vacature van het hertogdom (964-977)

De plotselinge dood van Godfried I schept een bestuurlijk probleem. Zijn oudste zoon Godfried is te jong om hem op te volgen, maar heeft krachtens het gewoonterecht wel een opvolgingsaanspraak. Otto I en Bruno kiezen voor een ongebruikelijke oplossing: zij houden het hertogdom open. Van 964 tot 977 blijft Neder-Lotharingen zonder hertog, terwijl Opper-Lotharingen ononderbroken door het huis Bar wordt bediend. Die asymmetrie is opmerkelijk en heeft latere historici parten gespeeld: het ontbreken van een opvolger heeft meermalen geleid tot de veronderstelling dat Godfried I kinderloos overleed. Deze opvatting berust op een overleveringsfout in de Vita Adelheidis, die de kinderloosheid van de neef Godfried, stichter van Vilich, heeft verwisseld met die van de hertog.

De dertienjarige vacature betekent niet dat Neder-Lotharingen zonder bestuur is. De graafschappen functioneren gewoon door. In Henegouwen, het voormalige Reginaren-bolwerk, verschijnt al in 965 en 966 een graaf Richer Ψ (Richar). Richer is geen hertog van Neder-Lotharingen, zoals oudere literatuur suggereerde, maar Godfrieds opvolger als graaf in dit specifieke ressort. Zijn precieze afkomst is onzeker; dat hij met het Wetterau-huis in verband zou staan is een speculatie zonder oorkondelijke basis. In 973 is Richer niet meer in functie. Zijn opvolgers zijn de broers Werner VI van Haspengouw Ψ en Reinald van Henegouwen Ψ, van wie de laatste vermoedelijk al eerder een deel van Henegouwen had gekregen. Beiden sneuvelen in datzelfde jaar.

Zij sneuvelen tegen de Reginaren. Reginar III’s zoons Reginar IV Ψ en Lambert I, bijgenaamd ‘met de baard’, zijn na de verbanning van hun vader naar West-Francia gevlucht. Na de dood van Otto I in mei 973 achten zij het moment rijp. In datzelfde jaar vallen zij Henegouwen binnen, gesteund door Westfrankische medestanders. Bij Péronne komt het tot een veldslag. Werner VI en Reinald sneuvelen; de Reginaren herstellen kortstondig hun greep op een deel van hun oude vaderland.

De nieuwe keizer Otto II Ψ reageert snel. Nog datzelfde jaar trekt hij vanuit Utrecht — niet toevallig een uitvalsbasis die hem toegang geeft tot zowel het oude Middenrijk als de Oost-Nederlandse flank — ten strijde. Hij verslaat de Reginaren en herverdeelt Henegouwen. Het grootste deel gaat naar Godfried ‘de Gevangene’; een ander deel komt bij diens zwager Arnulf II van Valenciennes Ψ, graaf van Kamerijk. Paltsgraaf Erenfried III Ψ volgt de gesneuvelde Werner VI op in Haspengouw.

Godfried ‘de Gevangene’ treedt op de voorgrond

In het vacuüm dat Godfried I’s dood en de lange vacature hebben achtergelaten treedt een nieuwe kopfiguur op. Godfried (†1002), bijgenaamd ‘de Gevangene’, is een volle neef van de overleden hertog. Hij is een zoon van Gozlin Ψ — een broer van paltsgraaf Godfried — en van Uda Ψ, dochter van Gerhard I van Metzgouw Ψ en een Ottonennicht uit het ‘Deventer drieluik’. Langs moederszijde is hij dus nauw met de Ottonen verwant. Zijn bijnaam ‘de Gevangene’ dankt hij aan een latere episode — in 985 geraakt hij in West-Frankische krijgsgevangenschap — en de toevoeging is hier dus anachronistisch. Om verwarring tussen de vele Godfrieden te voorkomen hanteert deze site de bijnaam desalniettemin, maar tussen haakjes.

Godfried is een oude rot in het krijgsvak. Hij dient al onder Otto I. In 959 erft hij van zijn vader de graafschappen Bidgau en Methingau; in 963 treedt hij op als graaf van Verdun, de burcht die aan zijn familie en linie uiteindelijk de naam zal geven. In 974, na de slag bij Péronne, krijgt hij het grootste deel van Henegouwen plus de strategische versterking Bergen (Mons) toegewezen. Zijn eerste huwelijk geeft hem aanspraken die tot ver buiten Lotharingen reiken. Hij huwt Averarda ‘van Zutphen’ Ψ, dochter van Everhard ‘van Zutphen’ Ψ die in Salland, Drenthe en Hunsingo-Fivelgo graaf is. Averarda brengt het patrimonium en de graafschappen van haar vader in het huwelijk — precies die Oost-Nederlandse ressorts waar Alpertus van Metz later zal wijzen op aanspraken ‘langs de zeekust’. Zij overlijdt jong, op 11 augustus van vermoedelijk het jaar 961, met achterlating van twee kinderen: een zoontje Gozlin Ψ dat eveneens jong sterft, en een dochter Ermentrud Ψ, later stammoeder van het huis Florennes door haar huwelijk met Godfried I’s zoon Arnulf I. De rol van Averarda’s boedel in de latere geschiedenis van Zutphen, Salland en Drenthe wordt in afzonderlijke delen van de Neder-Lotharingia-reeks uitgewerkt.

Godfried hertrouwt met Mathilde ‘Billung’ Ψ, dochter van Herman I van Saksen Ψ. Uit dit huwelijk komen zijn meest bekende kinderen voort: Adalbero II Ψ, de latere bisschop van Verdun; Frederik Ψ, graaf van Verdun; Herman Ψ, markgraaf van Ename; Godfried, de latere hertog van Neder-Lotharingen (1012-1023, hier nog niet in beeld); en Gozelo I ‘de Grote’ Ψ, de opvolger van Godfried als hertog. Daarnaast een dochter, Ermengard Ψ, die zich later in de Hammersteinse huwelijkskwestie zal onderscheiden. Met Mathilde betreedt Godfried ‘de Gevangene’ de hoogste adellijke kringen van het Rijk.

De terugkeer van de Reginaren (976) en de benoeming van Karel (977)

Godfried ‘de Gevangene’ en zijn medespelers krijgen weinig tijd om adem te halen. In 976 vallen Reginar IV en Lambert I ‘met de baard’, samen met de werkloze Westfrankische prins Karel Ψ, opnieuw Henegouwen binnen. Karel is de jongste zoon van koning Lodewijk IV en wordt door zijn oudere broer, koning Lotharius, als lastig ervaren. Zijn rol in het bondgenootschap is die van politieke bruikbaarheid: hij geeft de onderneming een Karolingische legitimatie die Otto II niet kan negeren. De markgraven Arnulf van Valenciennes en Godfried van Ename weten de inval met moeite af te slaan.

Een jaar later, in 977, worden beide broers door Lotharius verbannen omdat Karel roddels had verspreid over een beweerde verhouding tussen koningin Emma en Lotharius’ kanselier Adalbero, bisschop van Laon. Otto II ziet zijn kans. Door Karel op te nemen in zijn eigen rijk en hem te benoemen tot hertog van Neder-Lotharingen, plaatst hij een Karolingische troonpretendent recht tegenover diens broer de Franse koning. Het is een zet van hoog politiek gehalte, en hij vereist een prijs: de minderjarige hertogszoon Godfried, die sinds 964 formeel de opvolgingsaanspraak op zijn vaders ambt bezit, wordt gepasseerd.

Bij wijze van compensatie krijgt deze hertogszoon Godfried een ander ambt toegewezen: het markgraafschap ‘Middenrijks Friesland’, een kustverdedigingsdistrict aan de benedenloop van Rijn en Waal dat sinds de Lotharingse opstand van 938-939 had gesluimerd. Het is een constructie waardoor de hertogszoon zijn positie behoudt zonder het hertogdom zelf te bezetten. In Alpertus van Metz’ De diversitate temporum zal hij later terugkeren als ‘de oude prefect’ Godfried, het centrale personage van diens kroniek. Met de benoeming van Karel wordt tegelijk een proces in gang gezet dat tot diep in de laatste jaren van de tiende eeuw zal doorwerken: de worsteling tussen Karolingische aanspraak en Ottoonse politiek in de Rijndelta.

Ook voor Godfried ‘de Gevangene’ heeft 977 gevolgen. Henegouwen, waarvan hij in 974 het grootste deel had gekregen, komt bij de verzoening met Reginar IV grotendeels terug in Reginaarse handen, al blijft de versterking Bergen in Godfrieds greep. Als compensatie krijgt Godfried het graafschap Verdun definitief toegewezen. Vanaf nu noemt hij zich naar deze burcht: hij is Godfried ‘van Verdun’ geworden. De kiem van het huis Verdun, dat Neder-Lotharingen in de komende anderhalve eeuw zal domineren, is gelegd.

Jackmans reconstructie: een historiografisch intermezzo

Het hier geschetste beeld wijkt op enkele wezenlijke punten af van de reconstructie die D.C. Jackman op zijn — inmiddels opgeheven — website over de ‘Higher Offices’ van Lotharingen ontwikkelde. Jackman vereenzelvigt Godfried ‘de Gevangene’ met de ‘oude prefect’ Godfried die Alpertus beschrijft, en komt zo tot een geboortejaar rond 935-940 en een ambtsuitoefening die tot in de jaren 1010 doorloopt. Op dezelfde weg vereenzelvigt hij het markgraafschap ‘Middenrijks Friesland’ met het latere markgraafschap Ename en laat het bij Godfried ‘de Gevangene’ en diens zoons terechtkomen.

De reconstructie is omstreden, en deze website volgt haar niet. Twee overwegingen zijn doorslaggevend. Ten eerste beschrijft Alpertus de zoon van de ‘oude prefect’ als ‘een vadsige domkop die fysiek bijna een wrak is’. Van Godfried ‘de Gevangene’ is een dergelijke zoon niet bekend, terwijl zijn werkelijke nazaten — Adalbero, Frederik, Herman, Godfried ‘de Vredestichter’ en Gozelo I — allerminst onzichtbaar zijn in de bronnen. Ten tweede past Jackmans chronologie niet op de opvolgingsstructuur van de prefectuur zoals Alpertus die beschrijft: na de dood van de ‘oude prefect’ erft een zoon het ambt, en dat is in het Verdun-schema onmogelijk. Jongbloeds reconstructie, waarbij de ‘oude prefect’ als oudste zoon van hertog Godfried I in beeld komt en waarbij de prefectuur na 977 aan hem als compensatie wordt toegewezen, ondervangt beide bezwaren. Eduard Hlawitschka heeft tegen Jongbloeds bredere genealogische reconstructies kritiek geuit, waarop Jongbloed in 2016 uitvoerig heeft geantwoord — voor de hier behandelde vroegste fase blijven Jongbloeds conclusies echter ongeschonden.

Genealogisch schema van de eerste generatie Wigeriden / Verdun-linie.
Genealogisch schema van de eerste generatie Wigeriden / Verdun-linie.

In het vervolg van over Neder-Lotharingen, waarin de Karel- en Otto-jaren (977-1006) en de ‘oude prefect’ Godfried centraal staan, komt Alpertus’ kroniek zelf uitvoerig aan bod. Daar zal ook de Oost-Nederlandse dimensie — Balderik ‘van Upladium’ (Opladen), Adela van Hamaland, Wichman (IV) — haar volle gewicht krijgen.

Bronnen

Primaire bronnen en edities

  • Adalbert van Maagdenburg, Continuatio Reginonis, in: F. Kurze (ed.), Reginonis abbatis Prumiensis Chronicon cum continuatione Treverensi, MGH Scriptores rerum Germanicarum in usum scholarum separatim editi 50, Hannover, 1890, 154-179. (dMGH: geraadpleegd 24 april 2026)
  • Alpertus van Metz, De diversitate temporum. Originele editie in: G.H. Pertz (ed.), Alberti monachi Mettensis De diversitate temporum libri II, MGH Scriptores (in folio) 4, Hannover, 1841, 700-723. (dMGH: geraadpleegd 24 april 2026).
    Nederlandse editie en vertaling: H. van Rij (ed. en vert.), Alpertus van Metz, Gebeurtenissen van deze tijd / Een fragment over bisschop Diederik I van Metz / De mirakelen van de heilige Walburg in Tiel, Verloren, Hilversum, 1999.
  • Flodoard van Reims, Annales, in: P. Lauer (ed.), Les Annales de Flodoard, Collection de textes pour servir à l’étude et à l’enseignement de l’histoire 39, Paris, 1905. (Internet Archive.: geraadpleegd 24 april 2026).
  • MGH Diplomata Ottonis I, in: T. Sickel (ed.), Die Urkunden Konrad I., Heinrich I. und Otto I, Oorkonde Otto I nr. 59.
    MGH Diplomata regum et imperatorum Germaniae 1, Hannover, 1879-1884. (dMGH: geraadpleegd 24 april 2026).
  • Necrologium van Xanten (oudste redactie), in: W. Bader, Das älteste Totenbuch des Stiftes Xanten, 2 delen, Kevelaer, 1959, deel 2, fol. 43v.
  • Necrologium van St. Vanne te Verdun, in: H. Bloch, ‘Das Nekrolog des Klosters S. Vanne’, Jahrbuch der Gesellschaft für Lothringische Geschichte und Altertumskunde 14 (1902), 48-150.
  • Ruotger, Vita Brunonis archiepiscopi Coloniensis, in: I. Ott (ed.), MGH Scriptores rerum Germanicarum, nova series 10, Weimar, 1951. (dMGH: geraadpleegd 24 april 2026).
  • Thietmar van Merseburg, Chronicon, in: R. Holtzmann (ed.), MGH Scriptores rerum Germanicarum, nova series 9, Berlin, 1935. (dMGH: geraadpleegd 24 april 2026).

Literatuur

  • Ehlers, J., Die Kapetinger, Kohlhammer, Stuttgart, 2000.
  • Hlawitschka, E., ‘Kaiser Heinrich II., der Hammersteinsche Eheprozess und die Ezzonen’, Rheinische Vierteljahrsblätter 76 (2012), 53-90.
  • Jongbloed, H.H., ‘Wanburtich: Heinrichs II. Beteiligung an der Wahl von Kamba (1024)’, Deutsches Archiv für Erforschung des Mittelalters 62 (2006), 1-63.
  • Jongbloed, H.H., ‘Tussen “paltsverhaal” en “IJssellinie”. Averarda “van Zutphen” († 11 augustus [961]) en de geboorte van de graafschappen Zutphen en Gelre (1026-1046)’, Bijdragen en Mededelingen Gelre 97 (2006), 57-130.
  • Jongbloed, H.H., ‘Immed “von Kleve” (um 950). Das erste klevische Grafenhaus (ca. 885 – ca. 1015) als Vorstufe des geldrischen Fürstentums’, Annalen des Historischen Vereins für den Niederrhein 209 (2006), 13-44.
  • Jongbloed, H.H., ‘Flamenses in 1000. Vlaamse gelukzoekers in oostelijk Nederland en de uiteindelijke integratie van een Rijnlandse grensregio (ca. 1000 – ca. 1100)’, Bijdragen en Mededelingen Gelre 99 (2008), 41-96.
  • Jongbloed, H.H., ‘”Cold case” Upladen (1016). Ontstaan en karakter van de “Friese prefectuur” in het licht van Alpertus’ Gesta episcoporum Mettensium en andere bronnen’, Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 12 (2009), 7-66.
  • Jongbloed, H.H., ‘Die Xantener “Gottfriede”. Genealogische Aufschlüsse aus einem Xantener Nekrologanniversarium’, Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 12 (2009), 67-110.
  • Jongbloed, H.H., ‘Listige Immo en Herswind. Een Oost-Nederlandse Edelvrouw in de elfde eeuw’, Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 146 (2010), 5-82.
  • Jongbloed, H.H., ‘Balderik “van Upladium” (ca. 970 – 5 juni 1021). Karoling met een krasje in nu Gelderse contreien’, Bijdragen en Mededelingen Gelre 103 (2012), 7-74.
  • Jongbloed, H.H., ‘Nochmals der Hammersteiner Eheprozess. Zur Antwort auf Eduard Hlawitschka’, Rheinische Vierteljahrsblätter 80 (2016), 211-238.
  • MacLean, S., Ottonian Queenship, Oxford University Press, Oxford, 2017.
  • Reuter, T., Germany in the Early Middle Ages, c. 800-1056, Longman, Londen/New York, 1991.

Online bronnen

  • dMGH (digitale Monumenta Germaniae Historica), www.dmgh.de (geraadpleegd 21 april 2026).
  • Regesta Imperii, Regesten der Kaiser und Könige des Mittelalters, www.regesta-imperii.de (geraadpleegd 21 april 2026).

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende III des Vrydages nae Hemelvaart.