Deel 2 – De laatste Karolingers
Karel Ψ, 977-991
Aansluiting op het machtsvacuüm
Het hertogdom Neder-Lotharingen heeft sinds de verdeling van 959 onder bisschop Bruno van Keulen geen eigen hertog meer gekend. Na de dood van onderhertog Godfried I Ψ in 964 houdt Otto I Ψ de positie open voor diens minderjarige zoon, maar wanneer de jaren verstrijken zonder dat het ambt wordt vervuld, ontstaat een langdurige leemte aan de noordrand van het rijk. Pas in 977 vult Otto II Ψ die leemte, en wel met een opmerkelijke kandidaat: zijn volle neef Karel, de jongere broer van de Westfrankische koning Lothar III Ψ.
Karel vóór 977
Karel wordt in de zomer van 953 geboren in Laon, als jongste zoon van Lodewijk IV ‘Outremer’ Ψ en Gerberga van Saksen Ψ. Door zijn moeder, een dochter van koning Hendrik I ‘de Vogelaar’ Ψ, is hij volle neef van Otto II. Door zijn vader hoort hij tot de Karolingische lijn die teruggaat op Karel I ‘de Grote’. Die dubbele afstamming maakt hem in beginsel tot een volwaardig politiek schaakstuk, maar tijdens de regering van zijn oudere broer Lothar krijgt hij in West-Francië geen eigen ambt of vorstendom. Hij blijft hoveling zonder land.
Rond 976 beschuldigt Karel koningin Emma van Italië Ψ — de vrouw van zijn broer — en bisschop Adalbero van Laon van overspel. De synode van Sainte-Macre te Fismes spreekt beiden vrij. Karel houdt zijn beschuldiging staande en wordt door Lothar verbannen. Hij wijkt uit naar het hof van zijn neef Otto II en legt daar de eed van trouw af. Vanaf dat moment is Karel politiek het bezit van het Ottoonse hof.
Wanneer in 977 Otto II zich gedwongen ziet om de Reginaren Reginar IV Ψ en Lambert I Ψ een compromis aan te bieden — beiden hebben dat jaar gewapend hun vaderlijke goederen in Henegouwen heroverd — past de vacante hertogspositie in Neder-Lotharingen Otto goed uit. Met Karel benoemt hij iemand die zowel Karolingisch bloed bezit als rechtstreeks aan het keizerlijk hof verplicht is. Tegelijk plaatst hij een tegenstander van de Westfrankische koning aan de rivierenmonden van het rijk.
De Frans-Duitse oorlog van 978-980

De benoeming is voor Lothar een hoffelijke beschimping. Hij heeft zelf aanspraken op Lotharingen geërfd via zijn voorouders, en hij verwacht zeker geen broer-rivaal aan zijn noordoostelijke grens. In mei 978 doet zich een aanleiding voor: in Opper-Lotharingen sterft hertog Frederik I Ψ, en zijn opvolger Diederik I Ψ is minderjarig. Lothar belegt een vergadering in Laon en laat zijn invasieplan goedkeuren zonder het doel — Aken — vooraf te onthullen.
In augustus 978 trekt Lothar, vergezeld door Hugo Capet Ψ en zijn eigen broer hertog Otto Hendrik van Bourgondië Ψ, het rijk binnen en bereikt Aken voordat Otto II er erg in heeft. De keizer ontkomt op het nippertje. Lothars leger plundert het paleis en draait, volgens kroniekschrijver Richer van Reims, de bronzen adelaar boven op het paleis een halve slag, zodat hij niet langer naar het oosten kijkt maar naar het westen. Na drie dagen trekt Lothar zich uit gebrek aan voorraden terug.
Otto II beraamt zijn antwoord op een hofdag in Dortmund. In september trekt hij met een groot leger Frankrijk binnen, vergezeld door Karel. Reims, Soissons en Laon worden geplunderd. In Laon, de hoofdzetel van Lothars koningschap, laat Otto zijn protégé Karel tot koning van de Franken kronen door bisschop Diederik I van Metz Ψ. Lothar vlucht naar Parijs en wordt daar belegerd. Een ontzettingsleger onder Hugo Capet dwingt Otto en Karel op 30 november het beleg op te breken. Op de terugtocht moet Otto de Aisne oversteken bij Soissons; de rivier staat hoog en de achterhoede komt niet meer over. De Franken slachten haar af. Een kroniekschrijver merkt droogjes op dat het water meer doden eist dan het zwaard.
In juli 980 ontmoeten Lothar en Otto elkaar bij Margut aan de Chiers. Lothar doet afstand van alle aanspraken op Lotharingen, in ruil erkent Otto Lothars zoon Lodewijk V Ψ als koninklijk opvolger. De vrede stelt Otto in staat zich op Italië te richten, maar voor Karel is zij een tegenslag: hij blijft hertog, maar de hoop op uitbreiding van zijn machtsbasis is vervlogen.
Karels huwelijken en kinderen
Karel trouwt drie keer. De volgorde van die huwelijken is in de oudere historiografie zonder kanttekeningen overgenomen, maar Hein H. Jongbloed heeft in 2012 betoogd dat aan de twee bekende huwelijken nog een eerder huwelijk vooraf is gegaan. Diens reconstructie staat hieronder.

Het oudste necrologium van Xanten noemt naast Karels grootvader hertog Godfried I van Neder-Lotharingen (overleden 5 juni 964) op dezelfde foliopagina een vrouwe Gerburg Ψ, die op 6 juni wordt herdacht. Alpertus van Metz schrijft in zijn De diversitate temporum dat Balderik ‘van Upladium’ Ψ — de man die later met Adela Ψ uit het Hamalandse gravenhuis trouwt — een moeder Gerburg heeft. Diezelfde Alpertus omschrijft Balderik als drager van een standsgebrek dat ‘volgens sommigen’ aan hem kleeft, en hij voegt eraan toe dat dit gebrek niet op buitenechtelijke geboorte kan rusten, want Balderik heeft ook een zus uit dezelfde moeder. Op dat punt komt het kerkelijk huwelijksrecht in beeld. Een huwelijk tussen te nauw verwante partijen kan nietig worden verklaard; al geboren kinderen vervallen daardoor in juridische illegitimiteit. Jongbloed concludeert hieruit dat Karel — Karolinger en koningsverwante hertogszoon — rond 968 trouwt met de hertogsdochter Gerburg, dat dit huwelijk later op het incestverbod wordt ontbonden, en dat Balderik en zijn naamloos gebleven zus Ψ uit deze verbintenis stammen. De gedachte is hypothetisch maar berust op een samenhangende lezing van Alpertus, het Xantense necrologium en de afkomstvoorwaarden voor Balderiks koningsverwantschap. Voor de Oost-Nederlandse geschiedenis is deze hypothetische lijn van betekenis: het is langs deze weg dat Balderik later als graaf in Drenthe optreedt en zijn invloed in het rivierengebied uitoefent.
Na de annulering trouwt Karel rond 970 met Adelais van Troyes Ψ, vermoedelijk dochter van graaf Robert van Vermandois Ψ († ca. 967). Dit huwelijk verbindt hem met een zijtak van het Karolingische huis van Vermandois en past in zijn breuk met het Westfrankische hof. Uit deze verbintenis komen vier kinderen voort: Otto, Gerberga Ψ, Lodewijk Ψ en Ermengard Ψ. De keuze voor de namen Otto en Gerberga laat zien dat Karel zich op de Liudolfingers oriënteert, niet op zijn eigen Karolingische voorouders. Dat is bij een hertog aan het Ottoonse hof niet verbazend.
Een derde huwelijk volgt rond 988, met een Adelaide Ψ van wie Alpertus en de bestaande genealogische literatuur geen voorname afkomst kennen — zij heet ‘dochter van een laaggeplaatste vazal van Hugo Capet’. De latere kanselier en aartsbisschop van Reims, Gerbert van Aurillac, neemt dit huwelijk in zijn betoog tegen Karels koningskandidatuur als argument: een aspirant-koning hoort zich niet beneden zijn stand te verbinden. Uit dit derde huwelijk komen Karel Ψ en Adelaide Ψ voort, namen die wel weer naar het Karolingische voorgeslacht wijzen.
De voogdijstrijd om Otto III, 983-987
Op 7 december 983 sterft Otto II in Italië, drieëntwintig jaar oud. Zijn enige zoon Otto III Ψ is nog geen drie. In het keizerrijk barst een voogdijstrijd los: Hendrik ‘de Ruziemaker’ Ψ, hertog van Beieren en zelf neef van Otto II, ontvoert het kind en probeert zich tot koning te laten uitroepen. Tegen hem staan keizerin-moeder Theophanu Ψ en de oudere keizerin-grootmoeder Adelheid Ψ.
Lothar grijpt de gelegenheid aan om opnieuw in Lotharingen in te grijpen. Hij verlaat de positie die hij in 980 te Margut had ingenomen en biedt aan Theophanu zijn militaire steun aan, in ruil voor het herstel van Westfrankische rechten op Lotharingen. Aartsbisschop Adalbero I van Reims Ψ — niet te verwarren met Adalbero I van Metz Ψ, hoewel zij verwanten zijn — bemiddelt in dit aanbod. Verschillende Lotharingse edelen leggen hommage af aan Lothar, onder wie Godfried ‘de Gevangene’ Ψ van Verdun. Karel daarentegen wisselt opnieuw van positie en steunt nu het voogdijschap van zijn broer Lothar. Wanneer in juni 984 Theophanu erin slaagt Otto III uit Hendriks handen te bevrijden, valt het Westfrankische plan in duigen.
Tegen Karels Lotharingse coalitie staat een wereldlijke tegenpartij onder leiding van Godfried ‘de Gevangene’ van Verdun. Lothar laat Godfried gevangennemen om hem te dwingen Bergen in Henegouwen af te staan. Godfried weigert. Hij zit jaren vast en houdt aan deze episode zijn bijnaam over. Pas wanneer Hugo Capet in 987 koning wordt, komt Godfried op aanwijzing van Adalbero van Reims weer vrij.
De koningskandidatuur, 987-991
Op 2 maart 986 sterft Lothar, op 21 mei 987 zijn zoon Lodewijk V — de laatste in een ongebroken Karolingische mannenlijn van vader op zoon. De Westfrankische edelen worden opgeroepen tot een vergadering te Senlis. Karel acht zich, als oudste mannelijke afstammeling van Karel I ‘de Grote’, de vanzelfsprekende opvolger.
Aartsbisschop Adalbero van Reims, bijgestaan door zijn secretaris Gerbert van Aurillac, betoogt dat het koningschap geen erfopvolging is maar een keuze van de groten. Karel, zo voert hij aan, heeft zich aan Otto II onderworpen en is daarmee leenman van een buitenlandse keizer geworden; bovendien heeft hij beneden zijn stand getrouwd. Een dergelijke kandidaat past niet op de Westfrankische troon. De vergadering kiest Hugo Capet, die op 1 juni in Noyon en op 3 juli in Reims wordt gekroond. Het Karolingische huis is daarmee in West-Francië aan de macht voorbij. De Capetingers nemen het over.

Karel berust niet. In 988 grijpt hij Laon, in 989 met steun van zijn neef Arnulf Ψ — de onwettige zoon van Lothar III die door Hugo zelf tot aartsbisschop van Reims is benoemd — ook Reims. Hugo zet daarop bisschop Adalbero van Laon (de man uit het oude lasterproces) in als handlanger. Op Witte Donderdag 26 maart 991 levert Adalbero in Laon Karel uit aan Hugo, samen met diens vrouw Adelaide, hun zoon Lodewijk, twee dochters Gerberga en Adelaide Ψ, en aartsbisschop Arnulf. Karel wordt naar Orléans overgebracht en daar gevangengezet. Hij sterft er kort daarna, vermoedelijk nog in 991 of begin 992.
Voor het hertogdom Neder-Lotharingen heeft Karels bestaan in beweging een lange schaduw geworpen. Sinds 987, het jaar waarin hij naar West-Francië trekt om de troon op te eisen, fungeert zijn oudste zoon Otto er als regent. Met Karels gevangenneming in 991 is die regentschap ten einde: Otto wordt zelf hertog.
Otto Ψ, 991-1012
Pacificatie
De woelige jaren onder Karel maken plaats voor een rustiger periode. Otto III bevestigt Otto in zijn ambt, vermoedelijk rond 993 of 996. Godfried ‘de Gevangene’ moet Bergen aan Reginar IV teruggeven, en de Reginarse familie verzoent zich met het nieuwe Capetingische koningshuis: rond 996 trouwt Reginar IV met Hadwig Ψ, dochter van Hugo Capet. Lambert I ‘met de baard’ trouwt met Karels dochter Gerberga en bouwt op die voet een eigen comitale positie op rond Leuven en Brussel.
Otto zelf onthoudt zich van politieke aanspraken in West-Francië. De Westfrankische troon is voor de Karolingers verloren. Otto kiest voor het Ottoonse hof.
Otto en Otto III
Politiek treedt Otto nauwelijks naar voren. Wel staat hij op goede voet met keizer Otto III. Wanneer deze op 23 januari 1002 in het kasteel Paterno bij Rome aan koorts overlijdt, vergezelt Otto het stoffelijk overschot op zijn moeizame tocht door Italië naar de Domkapel te Aken, samen met aartsbisschop Heribert van Keulen Ψ en de hertog van Beieren — de toekomstige Hendrik II Ψ. De Gesta episcoporum Cameracensium noemt hem in dit verband uitdrukkelijk defunctus dux Otto, filius Karoli.
Daarna verstomt Otto in de bronnen. Een echtgenote is niet bij naam bekend; mannelijke nakomelingen ontbreken. Een vrouwelijke nakomeling Ermengarde, gehuwd met Albert I van Namen Ψ, wordt door sommige bronnen aan hem toegeschreven, door andere aan zijn vader Karel. In 1005 raakt Otto verwikkeld in een geschil met bisschop Diederik II van Metz Ψ, waarbij volgens de Gesta abbatum Trudonensium bezittingen van de kerk van Metz worden ingepalmd. Sigebert van Gembloux meldt diens dood in 1005, maar andere bronnen plaatsen die in 1006 of later. De zekerste terminus ad quem is 1012: in dat jaar staat de hertogszetel open.
1012: einde van de Karolingische lijn
Met Otto sterft de laatste mannelijke Karolinger in rechte lijn van Karel I ‘de Grote’. De onwettige Arnulf, sinds 989 aartsbisschop van Reims, leeft nog, maar uit zijn onwettigheid kan geen dynastieke aanspraak worden afgeleid. De Karolingische dochters zullen in de generaties die volgen het bloed van het oude koningshuis nog naar talloze vorstenhuizen brengen — onder hen Karels eigen dochter Gerberga, vrouw van Lambert I van Leuven, die het comitale huis van Brabant aan de Karolingische erfenis bindt. Voor het hertogdom Neder-Lotharingen zelf is de mannelijke lijn echter uitgedoofd.
Hendrik II, sinds 1002 koning van het Oostfrankische rijk, staat voor de keuze. Lambert I ‘met de baard’ acht zichzelf op grond van zijn huwelijk met Gerberga gerechtigd tot het hertogschap, maar Hendrik denkt daar anders over: Lambert heeft zich al herhaaldelijk als rebel bewezen en behoort tot de Reginarse stam, die in Lotharingen al meer dan een eeuw onrust stookt. Op advies van zijn verwant Gerard I van Florennes Ψ, bisschop van Kamerijk, kiest Hendrik in 1012 voor een tegenkandidaat: Godfried II ‘de Kinderloze’, of op deze website bekend als ‘de Vredestichter’, van Verdun Ψ, zoon van die Godfried ‘de Gevangene’ die Adela’s familie indertijd al had gehinderd. Met deze keuze plaatst Hendrik het hertogdom in handen van een loyale tak uit het huis van de Ardennes-Verdun, gericht op stabilisatie van de Westfrankische grens en bescherming tegen de Reginarse aspiraties.
Bronnen
Primaire bronnen en edities
- Alpertus van Metz, De diversitate temporum. Originele editie in: G.H. Pertz (ed.), Alberti monachi Mettensis De diversitate temporum libri II, MGH Scriptores (in folio) 4, Hannover, 1841, 700-723. (dMGH: geraadpleegd 24 april 2026).
Nederlandse editie en vertaling: H. van Rij (ed. en vert.), Alpertus van Metz, Gebeurtenissen van deze tijd / Een fragment over bisschop Diederik I van Metz / De mirakelen van de heilige Walburg in Tiel, Verloren, Hilversum, 1999. - Gesta episcoporum Cameracensium. Editie: L.C. Bethmann (ed.), in: Monumenta Germaniae Historica, Scriptores 7. Hannover, 1846. Online beschikbaar via dMGH (geraadpleegd 26 april 2026).
- Gesta abbatum Trudonensium. Editie: R. Köpke (ed.), in: Monumenta Germaniae Historica, Scriptores 10. Hannover, 1852. Online beschikbaar via dMGH (geraadpleegd 26 april 2026).
- Richer van Reims, Historiae. Editie: H. Hoffmann (ed.), Richer von Saint-Remi, Historiae. Monumenta Germaniae Historica, Scriptores 38. Hannover, 2000. Online beschikbaar via dMGH (geraadpleegd 26 april 2026).
- Sigebert van Gembloux, Chronica. Editie: L.C. Bethmann (ed.), in: Monumenta Germaniae Historica, Scriptores 6. Hannover, 1844. Online beschikbaar via dMGH (geraadpleegd 26 april 2026).
- Thietmar van Merseburg, Chronicon. Editie: R. Holtzmann (ed.), Die Chronik des Bischofs Thietmar von Merseburg und ihre Korveier Überarbeitung. Monumenta Germaniae Historica, Scriptores rerum Germanicarum, Nova series 9. Berlijn, 1935. Online beschikbaar via dMGH (geraadpleegd 26 april 2026).
- Vita Sanctae Gudilae. Editie: J. Ghesquière (ed.), in: Acta Sanctorum Belgii Selecta 5. Brussel, 1789.
Literatuur
- Althoff, Gerd. Die Ottonen. Königsherrschaft ohne Staat. Stuttgart: W. Kohlhammer, 2000.
- Boshof, Egon. Die Salier. Stuttgart: W. Kohlhammer, 2000.
- Jongbloed, Hein H. “Balderik ‘van Upladium’ (ca. 970-5 juni 1021). Karoling met een krasje in nu Gelderse contreien.” Bijdragen en Mededelingen Gelre, Historisch Jaarboek voor Gelderland 103 (2012): 7-72.
- Le Jan, Régine. Famille et pouvoir dans le monde franc, VIIe-Xe siècle. Essai d’anthropologie sociale. Parijs: Publications de la Sorbonne, 2003.
- Linssen, C.A.A. Historische opstellen over Lotharingen en Maastricht in de Middeleeuwen. Maastricht: Van Gorcum, 1985.
- Mohr, Walter. “Die lothringische Frage unter Otto II. und Lothar.” Revue belge de philologie et d’histoire 35, nr. 3 (1957): 705-725.
- Oostebrink, E.W. “De voogden van Gelre.” In: Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre 92 (2001): 7-44.
- Reuter, Timothy. Germany in the Early Middle Ages, 800-1056. Londen: Longman, 1991.
- Schwennicke, Detlev. Familien des alten Lotharingen I. Europäische Stammtafeln. Neue Folge, band I, deel 2. Frankfurt am Main: Vittorio Klostermann, 1999.
- Van Winter, J.M. “Die Hamaländer Grafen als Angehörige der Reichsaristokratie im 10. Jahrhundert.” Rheinische Vierteljahrsblätter 44 (1980): 16-46.
- Van Winter, J.M. “Het (palts)graafschap Zutphen en het Hamalandse gravenhuis.” In: Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre 92 (2001): 45-66.
Online bronnen
- dMGH — digitale Monumenta Germaniae Historica. https://www.dmgh.de/ (geraadpleegd 26 april 2026).
- Regesta Imperii. https://www.regesta-imperii.de/ (geraadpleegd 26 april 2026).
Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende III des Saterdages op Heilige Hart van Jezus dach, dat was op ten achtsten dach der maent van Junio.