Zoeken

De opkomst en ondergang van hertogdom Neder-Lotharingen (1046-1056)

 

Deel 5 – Eerherstel voor Godfried III

Frederik II van Luxemburg Ψ, 1046-1065

De onverwachte hertog

Het hertogdom Neder-Lotharingen is na de dood van Gozelo I in april 1044 in een diepe crisis geraakt. Godfried III ‘met de Baard’ maakte naar gewoonterecht aanspraak op de volledige nalatenschap van zijn vader, kreeg van keizer Hendrik III alleen Opper-Lotharingen toegewezen, kwam in opstand en werd gevangen gezet.

Zijn jongere broer Gozelo II ‘de Slome’ bleek niet opgewassen tegen het hertogambt. Wanneer Godfried III rond Pinksteren 1046 wordt begenadigd en Opper-Lotharingen terugkrijgt, neemt Hendrik III gelijktijdig een tweede beslissing waarin de hier behandelde periode aanvangt: Gozelo II wordt uit Neder-Lotharingen gezet en vervangen door een buitenstaander.

Die buitenstaander is Frederik II van Luxemburg. Hij behoort tot het huis van de Wigerichingen. Zijn grootvader Siegfried I Ψ had rond 963 op een rotsige strategische plek aan de Alzette de burcht laten bouwen die de stamzetel van het Luxemburgse huis werd. Zijn vader Frederik I Ψ beheerde graafschappen in de Moezelgouw, zijn moeder Irmtrud Ψ kwam uit het rijke Konradijnse huis van de Wetterau.
Als jongere zoon had Frederik II aanvankelijk weinig vooruitzicht op een hoge rijksambt: zijn oudere broer Hendrik II Ψ erfde Luxemburg en werd hertog van Beieren, broer Adalbero III Ψ kreeg een geestelijke loopbaan en zou in 1047 bisschop van Metz worden. Zelf bouwde Frederik rond 1020 op het ouderlijk allodium Baelen de burcht Limburg, en in 1035 verwierf hij de voogdij over de rijksabdij Stavelot-Malmedy. De band met het keizerlijk huis liep via zijn tante Kunigunde Ψ, echtgenote van keizer Hendrik II en zelf afkomstig uit het Luxemburgse huis. De afkomst van Frederiks grootmoeder Hadwig is in de bronnen niet vastgelegd; een hypothese die teruggaat op Depoin (1904) en in recente tijd door onder anderen is verdedigd, ziet haar als dochter van hertog Giselbert van Lotharingen, maar de meerderheid van de moderne literatuur wijst deze identificatie af.

Bij de begenadiging van Godfried III ‘met de Baard’ rond Pinksteren 1046 (18 mei) krijgt deze van keizer Hendrik III Opper-Lotharingen terug, dat hem na zijn opstand was ontnomen. Frederik II krijgt dus de hertogshoed van een gebied waarin hij zelf nauwelijks goederenbasis bezit. Voor Hendrik III is dat geen bezwaar, integendeel: een hertog zonder eigen machtspositie in het hertogdom hoort minder snel tot de mogelijke opposanten. De achterliggende verwantschap met de keizerin-moeder en het Lotharingse kerkelijke netwerk maken Frederik tot een hertog die de keizer in de hand kan houden.

Stroman van Hendrik III

In de praktijk heeft de nieuwe hertog weinig te zeggen. De feitelijke macht in Neder-Lotharingen ligt in handen van Hendrik III zelf. Frederiks invloed steunt vooral op zijn voogdijrechten over de abdijen Stavelot-Malmedy en, dankzij de positie van zijn broer Adalbero III, ook over het Metzer eigenklooster Sint-Truiden. Buiten deze klooster-economische steunpunten is hij in het hertogdom een buitenstaander.

Dat blijkt ook uit het militaire optreden van die jaren. Wanneer de keizer in 1046 persoonlijk met een leger naar Friesland trekt om Dirk IV Ψ te onderwerpen, ontbreekt de naam van Frederik II in de berichtgeving. Hendrik III’s politiek van versterking van de rijkskerk levert in Lotharingen niet wat hij ervan verwacht. De begiftiging van bisdommen met grafelijke rechten gaat ten koste van de hertogelijke armslag, terwijl de lokale dynasten daardoor juist meer bewegingsruimte krijgen.

Friesland trotseert de keizer, 1046-1047

Dirk IV van West-Frisia, zoon en opvolger van de Dirk III die in 1018 bij Vlaardingen het keizerlijk leger had verslagen, heeft de expansiepolitiek van zijn vader hervat. Hij eigent zich gebied toe dat de bisschoppen van Utrecht en Luik tot hun rechtssfeer rekenen en hervat de tolheffing op de Merwede. In het voorjaar van 1046 vaart Hendrik III met een oorlogsvloot naar Vlaardingen om die situatie persoonlijk te corrigeren. Het resultaat is mager: Dirk IV trekt zich terug in zijn waterrijke gebied en de keizer keert onverrichter zake terug.

In september 1047 onderneemt Hendrik III een tweede expeditie. De keizerlijke troepen weten Rijnsburg en Vlaardingen aanvankelijk in te nemen, maar het terreinvoordeel ligt opnieuw bij de Friezen. Op de terugtocht vallen de strijders van Dirk IV de achterhoede aan en richten een bloedbad aan onder de scheepsbemanningen. Voor de keizer is het een prestigeverlies van de eerste orde, op een moment waarop hij de handen al vol heeft aan de Lotharingse onrust.

De Verdunse positie in Oost-Nederland verdwijnt, 1046

De begenadiging van Pinksteren 1046 heeft consequenties die ver voorbij Lotharingen reiken. Met de afzetting van Gozelo II en de uitsluiting van Godfried III uit Neder-Lotharingen valt voor het huis Verdun een hele reeks afgeleide posities weg, juist in de oostelijke Nederlanden. De gedwongen rebellie van Godfried III in 1044, in de bronnen aangeduid als een keizerlijk optreden contra fas — tegen het recht —, had hem niet in staat gesteld de leenverheffingstermijn van jaar en dag in acht te nemen voor de graafschappen die zijn vader Gozelo I bij diens overlijden op 19 april 1044 had ontruimd. Daarvan profiteren bisdom Utrecht en aartsbisdom Bremen.

Op 22 mei 1046 — vier dagen na de verzoeningsplechtigheid in Aken — vergeeft Hendrik III aan de Utrechtse bisschop Bernold de grafelijkheid in Drenthe, die door overlijden van een hertog Gozelo vacant heet te zijn. De bedoelde Gozelo is Gozelo I, niet diens zoon Gozelo II die rond Pasen nog in leven moet zijn geweest om enkele weken later afgezet te kunnen worden. Daarmee komt aan een bijna twintig jaar oude Utrechtse aanspraak op Drenthe een einde. Hendrik II had in januari 1024 aan Utrecht reeds een papieren claim verleend, Koenraad II had die in 1025 bevestigd, maar het feitelijke grafelijke gezag was al die tijd bij het huis Verdun gebleven. Pas in 1046 wordt de bisschop ook werkelijke landsheer in Drenthe.

Tegelijk verschuift in noordelijk Hamaland de leenheerschap van het huis Verdun naar Utrecht. De grafelijkheid in dat gebied was eerder door het huis Verdun in achterleen uitgegeven aan een zekere Godschalk (II) Ψ, gehuwd met Adelheid Ψ uit het Ezzoonse huis, kleindochter van Ermengard ‘van Verdun’, zus van Gozelo I. Via dit huwelijk had Godschalk (II) de allodiale burcht in Zutphen verworven. Een leengraaf werd niet getroffen door wangedrag van zijn directe leenheer, mits hij zich daar zelf niet in had gemengd. Godschalk hield zich verre van Godfrieds opstand en kon daarom op zijn plaats blijven. Hij wisselde alleen van leenheer: vanaf 1046 ressorteerde hij onder de bisschop van Utrecht. Uit deze constellatie groeit kort na 1046 het graafschap Zutphen, dat in de twaalfde eeuw met Gelre verenigd zal worden tot de Zutphense kwartiersbasis van het hertogdom.

Nog noordelijker valt 1046 zwaar uit voor het huis Verdun. In de gouwen Hunsingo en Fivelgo, waar Gozelo I tot zijn dood het grafelijk gezag had uitgeoefend, doet aartsbisschop Adalbert I van Bremen Ψ in 1047 voor het eerst een poging het bestuur over te nemen. Adam van Bremen vermeldt expliciet dat Adalbert het grafelijk gezag (comitatus) in deze gouwen wilde verwerven dat eerder aan een dux Gotafridus — de bedoelde hertog is Godfried III ‘met de Baard’ — had toebehoord. De poging mislukt aanvankelijk, maar in 1057 weet Adalbert, intussen lid van de regentschapsraad voor Hendrik IV, het alsnog te bemachtigen.

In Salland, ten slotte, weet Lambert II van Leuven Ψ — zwager van Godfried III — zich in dezelfde context van het Verdunse machtsverlies meester te maken van de grafelijkheid. Wat zich in 1046 voor Lotharingse waarnemers vooral aandiende als een machtsstrijd tussen heersershuizen, betekent voor de oostelijke Nederlanden de definitieve afbraak van een bestuurlijke architectuur die het huis Verdun sinds Gozelo I had opgebouwd. Drenthe, Hamaland-Noord, Hunsingo en Fivelgo, Salland: vier rechtsgebieden die in dat ene jaar van eigenaar wisselen.

Opstand in 1047

De combinatie van een keizerlijk prestigeverlies in Friesland en de aanhoudende Lotharingse spanningen brengt in 1047 een breed gedragen opstand op gang. Tot de rebellen behoren Godfried III ‘met de Baard’, Dirk IV van Friesland, Boudewijn V van Vlaanderen Ψ en Herman van Henegouwen Ψ. Godfried III verliest opnieuw Opper-Lotharingen, dat de keizer toewijst aan graaf Adalbert (III) van Metz Ψ — een achterkleinzoon van hertog Richard Ψ, zodat er enige juridische rechtvaardiging voor de benoeming bestaat.

Reconstructie van de tweede, tweeschepige houten aula op de Zutphense burcht, gebouwd begin tiende eeuw binnen de toen aangelegde ringwalversterking. De afbeelding toont het complex kort vóór 1047, het jaar waarin Godfried III 'met de Baard' de aula tijdens zijn vergeldingstocht door de rijksgebieden in brand zou laten steken. Op het terrein verrees daarna het tufstenen residentiegebouw dat onder graaf Otto 'de Rijke' tot de nieuwe zetel van het zich vormende graafschap Zutphen werd. Beeld: AI-reconstructie op basis van de archeologische bevindingen van het Zutphense Gravenhof (AI-gegenereerd).
Reconstructie van de tweede, tweeschepige houten aula op de Zutphense burcht, gebouwd begin tiende eeuw binnen de toen aangelegde ringwalversterking. De afbeelding toont het complex kort vóór 1047, het jaar waarin Godfried III ‘met de Baard’ de aula tijdens zijn vergeldingstocht door de rijksgebieden in brand zou laten steken. Op het terrein verrees daarna het tufstenen residentiegebouw dat onder graaf Otto ‘de Rijke’ tot de nieuwe zetel van het zich vormende graafschap Zutphen werd. Beeld: AI-reconstructie op basis van de archeologische bevindingen van het Zutphense Gravenhof (AI-gegenereerd).

Godfried III zoekt de tegenaanval in een vergeldingstocht door de rijksgebieden. De keizerlijke palts in Nijmegen wordt in brand gestoken. Op 25 oktober 1047 brandt Godfried III zijn eigen familiale thuisbasis Verdun plat, nadat de stad hem de toegang heeft geweigerd. In dezelfde tocht ondergaat ook Zutphen een tuchtiging: archeologisch onderzoek toont aan dat de tweede houten aula (centrale woon- en ontvangstruimte) van de Zutphense burcht in deze tijd door brand is verwoest. Godschalk had zich aan zijn vroegere leenheer onttrokken, en wie zich aan Godfried III onttrok, kreeg met Godfried III te maken.

Vervolgens trekt Godfried III op tegen Luik. Bisschop Wazo van Luik biedt zo krachtige tegenstand dat het tot een veldslag komt tussen de oude en de nieuwe hertog van Opper-Lotharingen. Adalbert (III) sneuvelt en wordt opgevolgd door zijn broer Gerhard (V) Ψ.

De opstand wordt neergeslagen

In 1048 stuurt Hendrik III gezanten naar Hendrik I van Frankrijk Ψ uit vrees voor een Franse tussenkomst ten gunste van de rebellen. De diplomatie levert een bondgenootschap op waarvan ook Eduard ‘de Belijder’ van Engeland en Sven Estridsen van Denemarken Ψ deel uitmaken. Daarmee heeft Hendrik III de handen vrij om aan het Friese front af te rekenen. Niet de keizer zelf maar de bisschoppen van Luik, Utrecht en Metz voeren de operatie uit: in januari 1049 lokken zij Dirk IV bij Dordrecht in een hinderlaag waarin de graaf de dood vindt. Tegelijkertijd trekt Hendrik III in 1049 zelf op tegen Boudewijn V van Vlaanderen.

Pas in 1050 staakt Godfried III zijn verzet, op aandringen van paus Leo IX — afkomstig uit Opper-Lotharingen en daardoor goed bekend met de Lotharingse netwerken. Op de kerkvergadering te Reims (oktober 1049) had de paus al bemiddeld. Godfried III doet boetedoening door het door hem verwoeste Verdun te herstellen en schenkt enkele goederen aan de kerk. Niettemin laat de bisschop van Trier hem in hechtenis nemen. Leo IX weet de keizer te bewegen Godfrieds leven te sparen.

Vlaanderen groeit

Met het wegvallen van Godfried III als bondgenoot is Boudewijn V niet tegen de keizer opgewassen. Ook hij onderwerpt zich, maar niet voor lang. In 1053 trekt hij op tegen Luik. Wanneer Boudewijn V vervolgens een verbond sluit met de bisschop van Cambrai, stuurt Hendrik III een leger naar Vlaanderen. De expeditie loopt op niets uit. In 1056 is Hendrik III genoodzaakt het verlies van Aalst te erkennen, evenals de rechten van Boudewijns zoon — eveneens Boudewijn (VI) Ψ geheten — op Henegouwen.

In het kielzog van zijn nieuwe verbond met Boudewijn V hervat Godfried III, intussen vrijgelaten, ook de aanval in Neder-Lotharingen. In 1054-1055 belegert hij Antwerpen en weet hij hertog Frederik II van Luxemburg gevangen te nemen. De Luxemburger wordt pas vrijgelaten wanneer de Lotharingse adel zich tegen Godfried III keert. Het incident toont dat de stroman van Hendrik III inmiddels meer is dan een rechtsfiguur: Frederik II is in de strijd om Neder-Lotharingen persoonlijk doelwit geworden.

Stamboom van Wigerich en zijn voor dit artikel relevante nakomelingen. De Verdunse en Luxemburgse takken splitsen zich af in de tweede generatie. In de vierde generatie staan Gozelo I van Verdun en zijn neven Hendrik II, Frederik II en Adalbero III van Luxemburg-Metz tegenover elkaar. In 1046 vervangt Frederik II Gozelo I's zoon Gozelo II 'de Slome' als hertog van Neder-Lotharingen, terwijl diens broer Godfried III 'met de Baard' in opstand komt. Tussen Frederik II en Godfried III lopen via Wigerich vijf generaties verwantschap. Eigen samenstelling, op basis van Renn (1941), Twellenkamp (1991) en de eigen genealogische database (AI-gegenereerd).
Stamboom van Wigerich en zijn voor dit artikel relevante nakomelingen. De Verdunse en Luxemburgse takken splitsen zich af in de tweede generatie. In de vierde generatie staan Gozelo I van Verdun en zijn neven Hendrik II, Frederik II en Adalbero III van Luxemburg-Metz tegenover elkaar. In 1046 vervangt Frederik II Gozelo I’s zoon Gozelo II ‘de Slome’ als hertog van Neder-Lotharingen, terwijl diens broer Godfried III ‘met de Baard’ in opstand komt. Tussen Frederik II en Godfried III lopen via Wigerich vijf generaties verwantschap. Eigen samenstelling, op basis van Renn (1941), Twellenkamp (1991) en de eigen genealogische database (AI-gegenereerd).

De wederopstanding van Verdun

Godfried III is na zijn vrijlating in 1051 naar Italië getrokken en treedt daar in 1054 voor de tweede keer in het huwelijk. Zijn bruid is Beatrix Ψ, erfgename van Frederik II van Opper-Lotharingen en Mathilde van Schwaben Ψ. Beatrix is weduwe van markgraaf Bonifatius van Toscane Ψ, die in 1052 was vermoord. Met dit huwelijk versterkt Godfried III niet alleen zijn claim op Opper-Lotharingen maar verwerft hij ook een sterke positie in Italië.

Het huwelijk verbittert Hendrik III in die mate dat hij Beatrix (en haar dochter Mathilde Ψ uit haar eerste huwelijk) gevangenneemt. Godfried III weet te vluchten, maar zijn broer Frederik Ψ wordt gevangengezet en uit zijn kerkelijke ambten gezet. Wanneer Godfried III opnieuw contact zoekt met Boudewijn V en de Franse koning met een nieuwe inval dreigt, kiest Hendrik III voor compromis. Beatrix, Mathilde en Frederik komen vrij, het huwelijk wordt erkend en Godfrieds Italiaanse bezittingen worden bevestigd.

Het eerherstel komt eraan. In enkele oorkonden wordt Godfried III zelfs nog vóór de zittende hertogen van Lotharingen genoemd. Het hertogdom Opper-Lotharingen krijgt hij niet terug — Gerhard (V) zit daarvoor te stevig in het zadel — maar zijn positie binnen het rijk is in feite hersteld. In 1057 schopt zijn broer Frederik het tot paus Stefanus IX. Hoewel Stefanus IX al in maart 1058 overlijdt, markeert zijn pontificaat de terugkeer van het huis Verdun in het centrum van de macht. Wanneer Frederik II van Luxemburg in 1065 overlijdt, krijgt Godfried III alsnog de hertogshoed van Neder-Lotharingen.

Bronnen

Primaire bronnen en edities

Literatuur

  • Boshof, E., Die Salier, Stuttgart, W. Kohlhammer, 2000.
  • Halbertsma, H., Frieslands oudheid — Het rijk van de Friese koningen, opkomst en ondergang, Utrecht, Matrijs, 2000.
  • Jongbloed, H.H., ‘Tussen paltsverhaal en IJssellinie. Naar een localisering van Upladen (1046) en de geboorte van het graafschap Zutphen (1026-1046)’, Bijdragen en Mededelingen Gelre 96 (2006), 7-80.
  • Jongbloed, H.H., ‘Wanburtich. Bischof Meinwerks von Paderborn umstrittene Herkunft (1009)’, Drents Archief (2006).
  • Jongbloed, H.H., ‘Godschalk’, Bijdragen en Mededelingen Gelre 101 (2010), 7-55.
  • Knefelkamp, U., Das Mittelalter — Geschichte im Überblick, Paderborn, Ferdinand Schöningh, 2002.
  • Linssen, C.A.A. Historische opstellen over Lotharingen en Maastricht in de Middeleeuwen. Maastricht: Van Gorcum, 1985.
  • Nieuwenhuijsen, K. (red.), De Slag bij Vlaardingen, 1018, Utrecht, Omniboek, 2018.
  • Renn, H., Das erste Luxemburger Grafenhaus (963-1136), Rheinisches Archiv 39, Bonn, 1941.
  • Schwennicke, D., Familien des Alten Lotharingen I, in: Europäische Stammtafeln, Neue Folge, Band I, Teil 2, Frankfurt am Main, Vittorio Klostermann, 1999.
  • Twellenkamp, M., ‘Das Haus der Luxemburger’, in: S. Weinfurter & H. Kluger (red.), Die Salier und das Reich, Sigmaringen, Jan Thorbecke Verlag, 1991, deel 1, 475-503.
  • Van Winter, Johanna Maria. “Die Hamaländer Grafen als Angehörige der Reichsaristokratie im 10. Jahrhundert.” Rheinische Vierteljahrsblätter 44 (1980).

Online bronnen

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende III des Saterdages nae sunte Joachims dach, dat was op ten twintigsten ende zesden dach der maent van Julii.