Ontstaan van het Middenrijk
Europa staat in brand wanneer keizer Lodewijk I ‘de Vrome’ Ψ zijn enorme rijk tussen zijn zonen Lothar (I), Lodewijk II ‘de Duitser’ Ψ en Karel II ‘de Kale’ Ψ wil verdelen. Iedere zoon meent recht te hebben op meer — een familiediner bij de Karolingen doet niet onder voor een seizoensfinale van Game of Thrones. Er ontstaat een bloedige strijd tussen de broers. Die interne conflicten kan het Frankische rijk niet gebruiken, want een gevaarlijke vijand klopt aan de deur.
Vanuit Scandinavië ondernemen Vikingen al sinds het einde van de achtste eeuw tochten naar het zuiden. Handel en plundering lopen daarbij door elkaar — het beeld van uitsluitend vredelievende kooplieden die pas rond 800 gewelddadig worden, is te eenvoudig. Vanaf de vroege negende eeuw richten de Noormannen zich steeds vaker op kustgebieden en rivierhandelsplaatsen in het Frankische rijk. In eerste instantie geldt Engeland als hoofddoelwit. Later volgt het vasteland. Door het uiteenvallen van het keizerrijk wordt de Vikingen nauwelijks weerstand geboden.
In augustus 843 komen de broers in Verdun tot een akkoord. Een exacte verdragstekst is niet overgeleverd — de Annales Bertiniani geven wel de hoofdlijnen. Het verdrag wordt in de geschiedschrijving doorgaans als een keerpunt beschouwd, zij het dat recente studies benadrukken dat de broers geen ‘landen’ of ‘staten’ verdelen maar koninklijke bezittingen, belastingrechten en grafelijke ambtsgebieden. Afgesproken wordt dat iedere broer zijn toegewezen koninkrijk autonoom mag besturen. Er zal geen inmenging zijn van een boven alle koningen verheven keizer. Het Frankische rijk wordt als volgt verdeeld: Karel II ‘de Kale’ krijgt West-Franken, dat later de kern van Frankrijk wordt, Lodewijk II ‘de Duitser’ krijgt Oost-Franken, dat later de kern van Duitsland wordt, en Lothar I, de oudste zoon, wordt koning van het tussengelegen Middenrijk, het Roomse Rijk (Latijn: Imperium Romanum). Omdat dit Middenrijk de Karolingische bakermat omvat — met onder meer Aken en Metz — mag Lothar I zich als enige keizer noemen.
Voor het IJsselgebied en het latere Oversticht is van belang dat deze gebieden na 843 niet tot het Middenrijk behoren. De Graafschap, Salland, Twente en Drenthe vallen onder Oost-Franken van Lodewijk II ‘de Duitser’. De grens tussen het Middenrijk en Oost-Franken loopt globaal langs de Rijn. Dit onderscheid is wezenlijk: de lotgevallen van Lotharingen raken Oost-Nederland indirect — via de Vikingdreiging en de kerkelijke organisatie — maar niet als onderdeel van het Lotharingse koninkrijk zelf.

Lothar I Ψ, 840-855

Het Middenrijk van Lothar I strekt zich uit van de Noordzee tot de Middellandse Zee. Het is daarmee een merkwaardig langgerekt gebied, waarvan het noorden en zuiden weinig gemeen hebben. Het eerste probleem waarmee Lothar I wordt geconfronteerd zijn de invallen van de Vikingen in Friesland. De voortdurende oorlogen met zijn familieleden hebben zijn slagkracht verminderd, zodat hij zich al in 841 genoodzaakt ziet enkele graafschappen aan Vikinghoofdmannen af te staan, in de hoop dat dezen op hun beurt hun landgenoten zullen tegenhouden. Een ijdele hoop.
Vlak voor zijn dood in 855 verdeelt keizer Lothar I zijn Roomse Rijk in drie koninkrijken voor zijn drie zonen. De oudste, Lodewijk II Ψ, krijgt het koninkrijk Italië en mag zich keizer gaan noemen. Lothar (II) wordt koning van het noordelijke deel van het Middenrijk. Karel Ψ, de jongste zoon, krijgt het koninkrijk Bourgondië en de Provence.
De lotgevallen van Karel van Bourgondië en Lodewijk II van Italië vallen buiten het bestek van deze website. Karel van Bourgondië overlijdt al in 863 zonder nakomelingen. Lodewijk II van Italië sterft in 875 en laat twee dochters na. De keizerskroon valt in 875 eerst in de handen van Karel II ‘de Kale’ en vervolgens in 881 in die van Karel III ‘de Dikke’ Ψ.
Lothar II van Lotharingen Ψ, 855-869
Lothar II volgt zijn vader op in het noordelijke deel van het Middenrijk. Een naam heeft dit gebied niet. Het wordt naar zijn koning Lotharingen genoemd — in het Latijn Lotharii regnum, het koninkrijk van Lothar. Na de dood van Lothars broer Karel van Bourgondië wordt diens gebied verdeeld tussen Lothar II en zijn broer Lodewijk II van Italië.
Lothars regering staat in het teken van zijn kinderloze huwelijk met Theutberga van Glossinde Ψ, dochter van hertog Boso I van Arles Ψ. In 857 probeert Lothar II van haar te scheiden, ten gunste van zijn minnares Waldrada Ψ, bij wie hij in 855 een zoon heeft verwekt: Hugo (II) Ψ. Bij Waldrada krijgt Lothar II daarnaast vier dochters: Gisela (abdis van Nivelles) Ψ, Bertha Ψ, Ermengard Ψ en Alberada Ψ.
De scheidingszaak groeit uit tot een conflict dat ver boven de persoonlijke sfeer uitstijgt. Recent onderzoek, met name van Charles West, laat zien dat de kwestie fungeert als een brandpunt van Karolingische politieke cultuur: bisschoppen, pausen en koningen gebruiken het huwelijk van Lothar II om elkaars gezag te beproeven. Aartsbisschop Hincmar van Reims verzet zich fel tegen de ontbinding en vindt een medestander in paus Nicolaas I. Op opeenvolgende synodes (kerkvergaderingen) wordt de scheiding goedgekeurd en vervolgens weer afgekeurd, waarna Lothar II wordt gedwongen Theutberga opnieuw als echtgenote te aanvaarden. In 862 wordt Waldrada desondanks tot koningin gekroond. In 866 wordt zij geëxcommuniceerd — dat wil zeggen uit de kerkelijke gemeenschap gesloten — een maatregel die de opvolgende paus Hadrianus II weer ongedaan maakt.
In 867 staat Lothar II de Elzas af aan Lodewijk II ‘de Duitser’, om diens steun te verwerven voor de erfopvolging van zijn zoon Hugo (II). Hugo (II) mag zich voortaan hertog van Elzas noemen, zij het ondergeschikt aan Lodewijk II. Hugo (II) van Elzas is zo de opvolger van overgrootvader hertog Hugo (I) van Elzas Ψ.
In een laatste poging paus Hadrianus II gunstig te stemmen reist Lothar II in 869 naar Rome. Het resultaat is dat hij eindelijk mag scheiden. Tot een huwelijk met Waldrada komt het echter niet, want Lothar II sterft op de terugreis in Piacenza. De kerkelijke inmenging in zijn huwelijk schept een precedent: voortaan geldt steeds sterker dat alleen door de kerk goedgekeurde huwelijken als rechtsgeldig worden beschouwd.
De afkomst van Waldrada is overigens een groot raadsel. Een hypothese met Friese achtergrond maakt haar tot dochter van Radboud IV van Friesland Ψ. Als dat klopt, zou zij van koninklijk Fries bloed zijn en tevens een oudtante van Waldger III van Teisterbant Ψ, de moordenaar van hertog Eberhard (I) Ψ. Daarnaast bestaan er theorieën over een herkomst uit het Maas-Moezelgebied of uit de Etichonenfamilie.
Ondergang van de Lotharingse dynastie
Alle inspanningen ten spijt is het koninkrijk van Lothar (II) wegens gebrek aan een wettige opvolger aan verwarring ten prooi. Lothar II heeft eindelijk mogen scheiden, waardoor Hugo (II) alsnog de wettige opvolger had kunnen worden. Maar Lothars dood komt te vroeg. Hugo (II) krijgt niets en het koninkrijk wordt verdeeld tussen Karel II ‘de Kale’ en Lodewijk II ‘de Duitser’.

In 870 komt het in Meersen tot een akkoord, waarbij Hugo (II)’s erfdeel ook op papier verdwijnt. Het noordelijke deel van Lothars rijk (op bijgaande kaart geel) wordt tussen Karel II ‘de Kale’ (groen) en Lodewijk II ‘de Duitser’ (oranje) verdeeld. De Graafschap, die al sinds 843 tot Oost-Franken behoort, wordt door deze verdeling niet geraakt — het is het westelijke deel van Lotharingen dat opnieuw over twee rijken wordt verdeeld. De IJsselstreek ligt stevig aan de Oost-Frankische kant van de grens.
In 876 probeert Karel II ‘de Kale’ geheel Lotharingen bij zijn West-Frankische rijk in te lijven. Het komt tot een beslissende slag bij Andernach, waar Karel II wordt verslagen door Lodewijk III ‘de Jongere’ Ψ, een zoon van Lodewijk II ‘de Duitser’. Lotharingen komt uiteindelijk bij de opvolger van Lodewijk II ‘de Duitser’ terecht: Karel III ‘de Dikke’.
De opstand van Hugo (II)
Hugo (II) van Elzas, de niet-erkende erfgenaam van Lothar (II), gaat niet bij de pakken neerzitten. In 877 probeert hij met geweld zijn erfdeel te bemachtigen, gesteund door een deel van de Lotharingse adel. Het lukt niet. In 878 wordt hij door paus Johannes VIII verbannen. Diverse pogingen van de koningen van Oost- en West-Franken om Hugo (II) gevangen te nemen lopen op niets uit. Ondertussen wordt Lotharingen geplaagd door invallen van de Noormannen.

In het Verdrag van Ribemont (880) wordt Lotharingen nogmaals verdeeld. In 885 onderneemt Hugo (II) een riskant plan. Tijdens een verblijf van Karel III ‘de Dikke’ in Italië probeert hij met hulp van Godfried II ‘de Deen’ Ψ opnieuw de Lotharingse kroon te grijpen. Ook deze poging mislukt. Hugo (II) wordt in Gondreville in een hinderlaag gelokt en gevangen genomen. Als straf voor zijn opstand worden zijn ogen uitgestoken. Hij slijt zijn laatste levensjaren als monnik in het klooster Prüm. De aanzet tot een zelfstandige Lotharingse dynastie is daarmee in de kiem gesmoord.
De Vikingen aan de IJssel
In dezelfde decennia dat Lotharingen door dynastieke conflicten wordt verscheurd, treffen de Vikingen ook het IJsselgebied. De bisschop van Utrecht is al omstreeks 857 uitgeweken naar Deventer, vermoedelijk als gevolg van de Noormanneninvallen in het westen. In 882 plunderen Vikingen zowel Deventer als Zutphen — twee van de belangrijkste handelsnederzettingen langs de IJssel. Bij opgravingen in Deventer is een dikke zwartgeblakerde laag aangetroffen, het residu (de verbrande resten) van huizen en bezittingen, die de omvang van de verwoesting zichtbaar maakt.
Direct na de plundering beginnen de bewoners van Deventer onder leiding van de lokale graaf met de aanleg van een aarden verdedigingswal van bijna twee kilometer lengte en enkele meters hoogte. Deze wal — waarvan restanten nog altijd zichtbaar zijn in het Deventer straatbeeld — markeert het begin van Deventer als versterkte nederzetting. De vlucht van kooplieden uit het verwoeste Dorestad naar Deventer versterkt de positie van de IJsselstad als handelscentrum.
Drenthe ligt in deze periode buiten het bereik van de Vikingaanvallen. Het dunbevolkte, van de kust en de grote rivieren afgesloten gebied kent geen handelsplaatsen die de Noormannen kunnen aantrekken. Kerkelijk valt het onder het bisdom Utrecht, maar van enige bestuurlijke betekenis in de Lotharingse context is geen sprake.
Ondergang van het koninkrijk Lotharingen
Het koninkrijk Lotharingen is na de blinding van Hugo (II) nog niet ten dode opgeschreven. De opvolging wordt evenwel gekenmerkt door opeenvolgende bastaardzonen. Na Karel III ‘de Dikke’ wordt Lotharingen opgeëist door diens bastaardneef Arnulf van Karinthië Ψ. Arnulf weet de Noormannen aan de Dijle bij Leuven vernietigend te verslaan. De Vikingen plunderen later nog de abdij van Prüm en Bonn, maar het ergste leed is voorlopig geleden.
Arnulf probeert op zijn beurt het koninkrijk nieuw leven in te blazen voor zijn bastaardzoon Zwentibold Ψ. Zwentibold wordt in 895 gekroond als koning van Lotharingen. Vrijwel meteen voert hij een van zijn vader onafhankelijke politiek. Arnulfs zwakke gezondheid zal hierbij een rol hebben gespeeld, want bij belangrijke gebeurtenissen — zoals de moord op Eberhard (I) van Hamaland en de benoeming van Radboud Ψ tot bisschop van Utrecht — laat Arnulf zich wel gelden. Radbouds benoeming is voor het latere Oversticht van direct belang: als bisschop van Utrecht oefent hij kerkelijk gezag uit over het IJsselgebied, Salland, Twente en Drenthe. Radboud vestigt zijn bisschopszetel in Deventer, niet in het door de Noormannen geteisterde Utrecht.
Het negatieve beeld dat de bronnen van Zwentibold schetsen verdient nuancering. De belangrijkste kroniekschrijver voor deze periode, Regino van Prüm, is geen neutrale waarnemer maar een betrokken partij die zelf door Zwentibolds ingrijpen uit zijn abdij is verdreven. Zoals Simon MacLean heeft aangetoond, zijn Regino’s schrijfstrategieën — toespelingen, zelfcensuur en het opzettelijk naast elkaar plaatsen van gebeurtenissen om een bepaald beeld te scheppen — onlosmakelijk verbonden met zijn eigen lotgevallen in de Lotharingse machtsstrijd. De gangbare typering van Zwentibold als louter onbekwaam is daarmee ten dele het product van een vijandige bron.
In 895 helpt Zwentibold de troonpretendent Karel III ‘de Eenvoudige’ Ψ om het West-Frankische koninkrijk te veroveren op hertog Odo van Francië Ψ. Zwentibold wil echter zelf koning van West-Franken worden, zodat zowel Karel III als Odo zich verraden voelen. De strijd verloopt zonder onmiddellijk succes, waarop Karel III op zijn beurt in 895 en 896 Lotharingen binnenvalt.
In 897 arrangeert Arnulf een huwelijk tussen Zwentibold en Oda Ψ, dochter van Otto ‘de Doorluchtige’ Ψ, hertog van Saksen, en Hadwig van Babenberg Ψ. Het echtpaar krijgt twee dochters: Cecilia Ψ en Benedikta Ψ.
De laatste stuiptrekkingen
De inleiding tot Zwentibolds ondergang begint met de inbeslagname van de graafschappen van Stephan van Bidgouw Ψ en van de broers Matfried (IV) Ψ en Gerhard I van Metzgouw Ψ. In 898 maakt Zwentibold een tweede fout door Reginar (I) ‘Langhals’ Ψ, zijn machtigste graaf, plotseling als raadgever af te zetten ten gunste van de in zijn eer herstelde Gerhard I van Metzgouw.
Reginar I komt meteen in opstand en verschanst zich in Durfos (vermoedelijk Furfooz bij Namen) aan de oevers van de Maas. Zwentibolds toorn is zo groot dat hij Reginar I samen met diens handlangers, onder wie Odacar van Ardennengouw Ψ, uit al hun lenen ontzet. Een strafexpeditie loopt op een fiasco uit wegens de ontoegankelijkheid van het gebied.
Een grote klap krijgt Zwentibold te verduren wanneer Reginar I na de belegering overloopt naar Karel III ‘de Eenvoudige’ en hem trouw belooft. Reginar I trouwt met Karel III’s zuster Ermengard Ψ en verleidt Karel III om Lotharingen binnen te vallen. Ook deze expeditie is niet beslissend, want Karel III laat het in oktober 898 niet tot een gewapend treffen komen en verlaat Lotharingen.
Na het vertrek van Karel III heeft Zwentibold zijn handen vrij om voor de tweede keer te proberen Reginar I en zijn trawanten uit Durfos te verjagen. Wederom tevergeefs. Met dit vertoonde gebrek aan daadkracht valt Lotharingen uiteen. Zwentibold heeft geen grip meer op de gebeurtenissen in zijn koninkrijk.
Na de dood van zijn vader en beschermer Arnulf in 899 is Zwentibold aangeschoten wild. Het koninkrijk is met zijn laatste stuiptrekkingen bezig. Al zijn graven laten hem in de steek, waarop de Lotharingse adel, met Reginar I voorop, Lodewijk IV ‘het Kind’ Ψ — Arnulfs legitieme zevenjarige zoon — uitnodigt om koning van Lotharingen te worden. Lodewijk IV wordt in maart 900 gekroond.
Zwentibold wordt uiteindelijk op 13 augustus 900 vermoord door Matfried (IV) en Gerhard I van Metzgouw, en verrassenderwijs niet door zijn verschanste vijanden. Dit tekent zijn volledige gebrek aan adellijke steun. De Matfriedinger broers zijn hun val in 896 nog niet vergeten. Zij worden bij de moord geholpen door de eveneens benadeelde graaf Stephan. Zwentibold wordt begraven in de abdij van Susteren, waar hij door het omringende volk al snel als heilige wordt vereerd — vermoedelijk eerder als symbool van Lotharingse eigenheid dan om zijn persoonlijke verdiensten.
Na de dood van Lodewijk IV ‘het Kind’ in 911 houdt Lotharingen op te bestaan als zelfstandig koninkrijk. Het gaat wisselend op in het West-Frankische Rijk of het Heilige Roomse Rijk. Het voormalige koninkrijk wordt ‘gedegradeerd’ tot hertogdom Lotharingen.
Lotharingen en Oost-Nederland
Het koninkrijk Lotharingen ligt niet in Oost-Nederland — de Graafschap, Salland, Twente en Drenthe behoren na 843 tot Oost-Franken. Toch hebben de Lotharingse gebeurtenissen gevolgen voor het IJsselgebied. De Vikingdreiging die het Middenrijk ontwricht, treft in 882 ook Deventer en Zutphen. De bisschop van Utrecht vestigt zijn zetel in Deventer, waar hij tot ver in de tiende eeuw zal resideren. De benoeming van bisschop Radboud door Arnulf van Karinthië in 899 verbindt de kerkelijke organisatie van het latere Oversticht rechtstreeks met de Lotharingse machtsverhoudingen.
Wanneer Lotharingen na 911 als zelfstandig koninkrijk ophoudt te bestaan en opgaat in het Heilige Roomse Rijk, delen het voormalige Lotharingen en het Oost-Frankische IJsselgebied voor het eerst hetzelfde politieke kader. Binnen dat kader zullen in de eeuwen daarna de structuren van het hertogdom Gelre en het Oversticht van de bisschop van Utrecht gestalte krijgen.
Bronnenlijst
Primaire bronnen en edities
- West, Charles. The Fall of a Carolingian Kingdom: Lotharingia 855–869. Toronto: University of Toronto Press, 2023.
Literatuur
- Airlie, Stuart. “Private Bodies and the Body Politic in the Divorce Case of Lothar II.” Past and Present 161 (1998): 3–38.
- Costambeys, Marios, Matthew Innes en Simon MacLean. The Carolingian World. Cambridge: Cambridge University Press, 2011.
- Hlawitschka, Eduard. Lotharingien und das Reich an der Schwelle der deutschen Geschichte. Schriften der Monumenta Germaniae Historica, Band 21. Stuttgart: Hiersemann, 1968.
- Linssen, C.A.A. Historische opstellen over Lotharingen en Maastricht in de Middeleeuwen. Doctoraalscriptie, Rijksuniversiteit Leiden, 1985.
- MacLean, Simon. “Insinuation, Censorship and the Struggle for Late Carolingian Lotharingia in Regino of Prüm’s Chronicle.” English Historical Review 124 (2009): 1–28.
- MacLean, Simon. “Shadow Kingdom: Lotharingia and the Frankish World, c.850–c.1050.” History Compass 11 (2013): 443–457.
- Tuuk, Luit van der. Vikingen: Noormannen in de Lage Landen. 3e druk. Utrecht: Omniboek, 2017.
Online bronnen
- Schreiber, K.H. Mittelalterliche Genealogie im Deutschen Reich bis zum Ende der Staufer (MGDRES). https://www.manfred-hiebl.de/genealogie-mittelalter/ — geraadpleegd april 2026.
Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MCM ende XCVIII des Dingxdages op Heilige Lodewijk dach, dat was op ten vijfden ende twintigsten dach der maent van Augusti.