Zoeken

Slagzwaarden

Inleiding

Het zwaard is in oorsprong een houwwapen. Wie in de vroege middeleeuwen een tegenstander met zijn zwaard wil treffen, haalt uit en slaat. De kling is breed, de snede aan twee zijden scherp, de punt minder belangrijk dan het oppervlak waarmee wordt aangezet. Pas onder druk van het opkomende plaatpantser komt in de late middeleeuwen een tweede ontwikkelingslijn naar voren, waarin het stootzwaard de smalle taps toelopende kling krijgt waarmee tussen platen kan worden geprikt. Naast die lijn loopt de oudere houwtraditie onverstoorbaar door. Daarbinnen ontwikkelt zich in de dertiende en veertiende eeuw het zware slagzwaard, en daarnaast het eenzijdige houwwapen dat in de bronnen valchioen heet. Beide worden hieronder besproken.

Het slagzwaard

Het slagzwaard van de dertiende en vroege veertiende eeuw is in de internationale typologie van Ewart Oakeshott aangeduid als Type XIIIa. Het wapen heeft een vrijwel evenwijdige kling van ongeveer negentig tot honderdvijf centimeter, vier tot vijf centimeter breed, met een platte doorsnede. Over de lengte loopt een ondiepe geul of fuller, die de kling lichter maakt zonder de stijfheid aan te tasten en die vrijwel tot aan de punt doorloopt. De punt zelf is afgerond of licht spits, want het wapen is gemaakt om te houwen, niet om te steken. Met de gewichtsverdeling van een dergelijk zwaard kan een geoefende vechter een tegenstander door maliënkolder en wambuis heen treffen.

Schematische voorstelling van een slagzwaard, Type XIIIa volgens Oakeshott, dertiende eeuw.
Schematische voorstelling van een slagzwaard, Type XIIIa volgens Oakeshott, dertiende eeuw.

 

Het gevest heeft een rechte, lange pareerstang van vijftien tot tweeëntwintig centimeter en een ronde of paranootvormige knop. De greep is opvallend lang, vier tot acht centimeter meer dan bij een eenhandig zwaard, zodat tijdens een zware uithaal de tweede hand mee kan grijpen om de slag kracht bij te zetten. Het zwaard kan daardoor met één hand worden gevoerd, in combinatie met een schild of bij de teugel, maar laat zich ook met beide handen hanteren wanneer dat nodig is. Vandaar de Engelse aanduiding hand-and-a-half. Een eigenlijke tweehander is het niet.

Recab en Baäna doden in zijn slaapkamer Isboseth, de zoon van Saul. De moordenaar hanteert een tweezijdig zwaard van Type XIIIa. Maciejowski Bible (Crusader Bible, Morgan Picture Bible), Frankrijk circa 1244-1254, fol. 38r. New York, Morgan Library & Museum, MS M.638.
Recab en Baäna doden in zijn slaapkamer Isboseth, de zoon van Saul. De moordenaar hanteert een tweezijdig zwaard van Type XIIIa. Maciejowski Bible (Crusader Bible, Morgan Picture Bible), Frankrijk circa 1244-1254, fol. 38r. New York, Morgan Library & Museum, MS M.638.

Het slagzwaard verschijnt in iconografische bronnen vanaf het midden van de dertiende eeuw. In veertiende-eeuwse Franse bronnen heet het wapen grans espées d’Allemagne, het grote zwaard uit de Duitse landen. Die aanduiding wijst naar de productiecentra in het Rijnland en in Zuid-Duitsland, waar de smeden van Keulen, Passau en Solingen al sinds de hoge middeleeuwen voor een Europese markt werken. Zwaarden uit die werkplaatsen reizen mee met de handelaren en de krijgsheren langs de Rijn en de IJssel; de IJsselsteden Deventer, Zutphen en Kampen liggen aan dezelfde transportroutes als de wapenwerkplaatsen verder zuidwaarts.

In de bewapening van de Oost-Nederlandse ridderelite is het Type XIIIa-zwaard de standaardbewapening voor het houwen. In de Slag bij Ane van 28 juli 1227, waar het ridderleger van bisschop Otto II van Lippe Ψ het onderspit dolf tegen de Drenten onder Rudolf II van Coevorden Ψ, behoorden zwaarden van dit type tot de uitrusting van de bisschoppelijke ruiterij. De kroniekschrijver van de Narracio zag de ridders in het drassige terrein wegzakken, waarna de Drenten van dichtbij met speer, mes en zwaard hun werk afmaakten. Ook in de Slag bij Woeringen van 1288, waar Reinald I van Gelre Ψ vocht tegen Jan van Brabant Ψ, leverde het slagzwaard in handen van de zware ruiterij het hoofdwapen.

De valchioen

Naast het tweezijdig geslepen ridderzwaard komt in de dertiende en veertiende eeuw een aparte traditie van eenzijdige houwwapens voor. Het meest verspreide type heet in Middelnederlandse bronnen valchioen, in Engelse falchion, in Duitse Falchion of Großes Messer. De kling heeft één snede, loopt naar de punt toe breder uit en eindigt vaak in een lichte kromming. Het gevest is gelijk aan dat van het reguliere zwaard, met een korte pareerstang en een eenvoudige knop. Met de valchioen kan alleen worden gehouwen; voor het steken is het wapen niet ontworpen.

Schematische voorstelling van een valchioen met eenzijdig geslepen kling, dertiende eeuw.
Schematische voorstelling van een valchioen met eenzijdig geslepen kling, dertiende eeuw.

 

De productie is eenvoudiger dan die van een tweezijdig zwaard met geul, en de prijs ligt navenant lager. Het wapen komt veel voor in de bewapening van stadsmilities, schutterijen en huurlingenbenden. Iconografische steun is er ruimschoots: in de Cantigas de Santa María van Alfons X ‘de Wijze’ Ψ uit het eind van de dertiende eeuw en in de Maciejowski Bible van circa 1244-1254 zijn talrijke voorstellingen te zien van vechters die met een valchioen-achtig wapen hakken.

De gevangenneming van Lot. Vier koningen onder leiding van Kedor-Laomer voeren Lot, de neef van Abraham, met zijn gezin gevangen weg uit Sodom. De linker soldaat hanteert een valchioen met eenzijdig geslepen kling en breed uitlopende punt. Maciejowski Bible (Crusader Bible, Morgan Picture Bible), Frankrijk circa 1244-1254, fol. 3r. New York, Morgan Library & Museum, MS M.638.
De gevangenneming van Lot. Vier koningen onder leiding van Kedor-Laomer voeren Lot, de neef van Abraham, met zijn gezin gevangen weg uit Sodom. De linker soldaat hanteert een valchioen met eenzijdig geslepen kling en breed uitlopende punt. Maciejowski Bible (Crusader Bible, Morgan Picture Bible), Frankrijk circa 1244-1254, fol. 3r. New York, Morgan Library & Museum, MS M.638.

Voor de naamgeving past een korte toelichting. In oudere Nederlandse literatuur is het wapen wel “badelaar” genoemd, naar het Middelfrans badelaire of bazelaire. Die term is in de moderne archeologie inmiddels gereserveerd voor een ander wapen: de baselard, een kort steekwapen met I- of H-vormig gevest, in de veertiende eeuw populair als zijwapen van burgers en niet-ridderlijke vechters. De naam baselard komt waarschijnlijk uit het Duitse Basler [Messer], het mes uit Basel. Het is dus een aparte categorie, geen variant van de valchioen en evenmin een afstammeling van de scramasax. Wie de naam “badelaar” in oudere literatuur tegenkomt, leest meestal over wat in de huidige typologie de valchioen of falchion heet.

Een laat-middeleeuws Oost-Nederlands voorbeeld

Het meest sprekende stuk in de Oost-Nederlandse zwaardarcheologie van de late middeleeuwen is in 1981 uit de IJssel bij Olst-Wijhe opgebaggerd. Het wapen meet honderdtwintig centimeter en bestaat uit een lange kling, een pareerstang met een knokkelbeugel, en een angel waarop ooit een handvat was bevestigd. Het handvat zelf is verloren gegaan. Op de kling staat een makersteken in de vorm van een Passauer wolf, het keurmerk van de smeden uit Passau in Beieren dat in heel Europa als kwaliteitsgarantie wordt herkend. Het stuk wordt beheerd door het provinciaal depot voor bodemvondsten van Het Oversticht.

De datering plaatst het zwaard niet in de middeleeuwen in strikte zin, maar in de overgang naar de vroegmoderne tijd. De knokkelbeugel verschijnt pas tegen het eind van de vijftiende eeuw en wordt in de zestiende eeuw standaard. Het wapen uit de IJssel is daarmee vermoedelijk laat-vijftiende- of zestiende-eeuws, en als zodanig een nakomeling van het Type XIIIa-slagzwaard. De grote tweehandige varianten worden in de late vijftiende eeuw door zwaardsmeden ontwikkeld voor een nieuwe categorie strijders: de Duitse landsknechten. Het Olst-Wijhse exemplaar past in die ontwikkelingslijn. Het werd, zo meldt het provinciaal depot, gedragen door edelen en welgestelde burgers, en tot eind zeventiende eeuw werd ermee gevochten in de schermscholen van de IJsselsteden.

Nabrander: tweehander en beulszwaard

Twee verwante typen verdienen een korte vermelding, ook al vallen ze buiten de middeleeuwen. De Zweihänder van anderhalf tot twee meter, zoals de Duitse landsknechten hem hanteren tegen piek en hellebaard, is een wapen van de zestiende eeuw. Hij groeit voort uit het slagzwaard van Type XIIIa maar overstijgt dit zodanig in lengte en gewicht dat hij met beide handen vanuit de schouder moet worden gezwaaid. Het beulszwaard of Richtschwert, het zware ceremoniële wapen van de scherprechter met een vierkante of afgeronde punt, ontstaat eveneens in de late vijftiende eeuw. Daarvoor werden terechtstellingen met een gewoon zwaard, een bijl of een knots uitgevoerd. Beide typen zijn dus vroegmodern, en hun voorkomen in middeleeuwse heldenverhalen rust op latere literaire verbeelding van een tijd waarin zulke wapens nog niet bestonden.

Bronnen

Literatuur

  • Amkreutz, Luc, en Annemarieke Willemsen (red.). Vlijmscherp verleden. Het zwaard als wapen en symbool. Leiden: Rijksmuseum van Oudheden, 2016.
  • Capwell, Tobias. The Noble Art of the Sword: Fashion and Fencing in Renaissance Europe. London: Wallace Collection, 2012.
  • Oakeshott, Ewart. Records of the Medieval Sword. Woodbridge: Boydell, 1991.
  • Oakeshott, Ewart. The Sword in the Age of Chivalry. Herziene uitgave. Woodbridge: Boydell, 1994 (oorspronkelijk 1964).

Online bronnen

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende I des Sonnedages nae sunte Johannes van het Kruis dach, dat was op ten zesde ende tienden dach der maent van Decembri.