Zoeken

Vroeg-middeleeuwse zwaarden

De Frankische spatha

De vroeg-middeleeuwse zwaarden van Noordwest-Europa vormen één lange ontwikkelingslijn, die loopt van de Romeinse cavalerie-spatha via de Merovingische en Karolingische zwaarden tot het zogenoemde ‘vikingzwaard’ van de tiende en elfde eeuw.

Vorm en techniek veranderen geleidelijk, maar het basisidee blijft hetzelfde: een rechte, tweesnijdende kling van ongeveer 75 tot 90 centimeter, gemaakt om mee te houwen vanaf het paard of in het man-tegen-mangevecht. Pas in de loop van de elfde eeuw verandert het zwaard fundamenteel van karakter, wanneer de bescherming van de tegenstander zwaarder wordt en het wapen een spitsere punt krijgt om door maliën heen te steken.
Voor Oost-Nederland zijn deze vroege zwaarden vooral bekend uit wapengraven en losse vondsten. Het rijengrafveld van Zweeloo in Drenthe, het ruitergraf van Borne in Twente, de offerplaats van Hezingen in Twente en het zwaard van het type Petersen B uit Zutphen geven samen een doorsnede van bijna vijf eeuwen.

Frankische spatha, gevonden in de Oude Rijn bij Woerden, vermoedelijk zesde of zevende eeuw. (Foto: By Ellywa - Own work, Wikimedia Commons, categorie Spatha of Woerden).
Frankische spatha, gevonden in de Oude Rijn bij Woerden, vermoedelijk zesde of zevende eeuw. (Foto: By Ellywa – Own work, Wikimedia Commons, categorie Spatha of Woerden).

De Frankische spatha is een rechtstreekse afstammeling van de Romeinse cavalerie-spatha, die in de derde eeuw de kortere gladius als standaardwapen had vervangen. Germaanse stammen, en de Franken voorop, namen de vorm over en pasten hem aan: de kling bleef recht en tweesnijdend, maar het gevest kreeg een eigen vormgeving en een uitgesproken voorliefde voor decoratie. Bij de Merovingische spatha (vijfde tot zevende eeuw) is de kling ongeveer 75 tot 85 centimeter lang en vier tot zes centimeter breed. De punt is rond, soms zelfs nagenoeg afgeknot, want het wapen is uitsluitend voor houwen bedoeld. Een smalle, rechte pareerstang scheidt de kling van het houten gevest. De knop bestaat aanvankelijk uit twee delen — een ijzeren plaatje boven de greep om die op zijn plek te houden, en daar bovenop een aparte knop, vaak met goud- of zilverbeslag versierd.

In Oost-Nederland is het rijengrafveld van Zweeloo het belangrijkste vindpunt. Tijdens zandafgravingen in 1952 ontdekte het opgravingsteam van A.E. van Giffen ruim 110 graven uit de periode tussen ongeveer 400 en 850. In een aantal mannengraven lagen volledige wapenuitrustingen, met spatha’s, lansen en schildknoppen. Het grafveld toont een doorlopend gebruik vanaf de Romeinse tijd tot in de Karolingische periode en is door W.A. van Es en R.P. Schoen in 2007 en 2008 in Palaeohistoria uitvoerig gepubliceerd. De wapengraven van Zweeloo passen in een breder Merovingisch grafritueel waarin de zwaardbijgift een teken is van een vrije, gewapende man — al wijst recent onderzoek uit dat de term ‘adelsgraf’ voor deze graven te beperkt is, omdat ook lager geplaatste krijgers met wapens werden begraven.

De spatha is meer dan een functioneel wapen. De kostbare uitvoering, de zorgvuldige decoratie van het gevest en de plek in het graf wijzen op een symbolische lading: het zwaard markeert de status van de drager bij leven én na zijn dood. Tussen het laatste kwart van de zevende en het begin van de achtste eeuw verdwijnt het meegeven van wapens uit de grafgewoonten, parallel met de kerstening van de Saksen en het einde van het rijengrafritueel. Daarmee verdwijnen de zwaarden ook uit de archeologische neerslag — niet omdat ze niet meer worden gemaakt, maar omdat ze niet meer onder de grond verdwijnen.

Damasteren

Detail van een gedamasteerde kling: in de geul wordt het visgraatpatroon zichtbaar dat ontstaat door het in elkaar smeden, splijten en draaien van strips ijzer en staal. Foto: Wikimedia Commons (Ejvind Nørgård, Pattern Welded Sword Blade).
Detail van een gedamasteerde kling: in de geul wordt het visgraatpatroon zichtbaar dat ontstaat door het in elkaar smeden, splijten en draaien van strips ijzer en staal. Foto: Wikimedia Commons (Ejvind Nørgård, Pattern Welded Sword Blade).

Een belangrijk deel van de vroeg-middeleeuwse zwaarden is gedamasteerd. Bij deze techniek, die archeologen tegenwoordig pattern welding noemen, smeedt de smid stroken ijzer en staal met verschillend koolstofgehalte tot een staaf, splijt en draait die staaf, smeedt hem opnieuw, en herhaalt dat proces tot zich in het metaal een complex patroon vormt — vaak een visgraat, een krul of een vlechtwerk. Na polijsten en lichtjes etsen komt het verschil in kleur tussen ijzer en staal als een fijne tekening tevoorschijn in de geul.

Het damasteren heeft een dubbele bedoeling. Technisch combineert het de buigzaamheid van zacht ijzer met de hardheid van staal: een gedamasteerde kling kan een klap opvangen zonder te breken en toch een scherpe snede behouden. Esthetisch geeft het patroon de kling een wisselend, levend uiterlijk. Tijdgenoten hebben er oog voor. In een brief uit ongeveer 511 prijst Cassiodorus — schrijvend namens de Ostrogotische koning Theodorik ‘de Grote’ Ψ — een zending zwaarden van koning Thrasamund van de Vandalen met de woorden dat in de geul “een spel van zovele schaduwen” speelt, dat men zou menen dat het metaal “is doorweeft met verschillende kleuren.”

In de loop van de negende eeuw raakt het damasteren langzaam in onbruik. Naarmate de smeden over hoogwaardiger staal kunnen beschikken — soms zelfs over geïmporteerd gegoten staal — wordt het pattern welding voor de kern van de kling overbodig. De versiering verschuift dan naar ingelegde inscripties.

Het Karolingische zwaard

In de loop van de achtste eeuw verandert het zwaard geleidelijk. De kling wordt naar de punt toe iets smaller, de geul — een ondiepe groef in het midden — wordt breder en zorgt voor gewichtsbesparing zonder verlies aan stevigheid. Het ijzeren plaatje tussen greep en kling groeit uit tot een herkenbare pareerstang. De knop wordt zwaarder en uit één stuk gesmeed, waardoor het zwaartepunt dichter bij de hand komt te liggen en het wapen wendbaarder wordt.

In het Oversticht is het ruitergraf van Borne een uitzonderlijke vondst. In 1987 stuitten amateur-archeologen aan de rand van een nederzetting in de Stroom Esch op een zorgvuldig aangelegd graf. Lichamelijke resten waren niet meer aanwezig, maar de bijgaven waren intact: ijzeren ruitersporen, een ijzeren vleugellanspunt en een onversierd, tweezijdig snijdend zwaard, gestoken in een schede van berkenhout met leer bekleed, waarop nog textielresten kleefden. De nederzetting zelf is dendrologisch gedateerd tussen ongeveer 610 en 780, en het graf hoort bij de jongste fase. De combinatie van zwaard, lans en sporen wijst op een ruiter van enige aanzien — mogelijk een lokale Saksische heer die zich naar Frankisch model bewapende, mogelijk een man die met de Frankische opmars in deze streek verbonden was.

Iets oostelijker, in het natuurgebied Springendal bij Hezingen, kwam in 2019 een geheel andere vondst aan het licht. Op drie locaties dicht bij elkaar troffen amateurzoekers met de metaaldetector ruim negentig munten en muntfragmenten, gouden en zilveren sieraden, en een fragment van een gouden zwaardgreepversiering. De vondsten worden gedateerd in de zevende en het begin van de achtste eeuw en zijn door archeologen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Vrije Universiteit als een Saksische offerplaats geïnterpreteerd. De gouden zwaardgreepversiering laat zien dat ook in Twente, dat lange tijd buiten de Frankische invloedssfeer bleef, hoogwaardige zwaarden circuleerden. Volgens VU-archeoloog Stijn Heeren is de vondst van bijzonder belang omdat rijke vroeg-middeleeuwse vondsten in deze regio tot voor kort vrijwel ontbraken; ze waren vooral bekend uit Friesland en de omgeving van Utrecht.

Borne en Hezingen samen tonen dat het Oversticht in de zevende en achtste eeuw geen archeologische woestenij is, maar een gebied waar de Frankische en Saksische werelden elkaar raken — en waar het zwaard, in het graf zowel als op de offerplaats, een centrale rol speelt.

Het vikingzwaard

In de negende en tiende eeuw ontwikkelt het zwaard zich tot wat in de literatuur het ‘vikingzwaard’ heet. De naam is misleidend. De meeste bewaarde exemplaren zijn weliswaar afkomstig uit Scandinavische graven, omdat de Vikingen — in tegenstelling tot de gekerstende Franken — wapens als grafgift bleven meegeven, maar ze zijn niet door de Vikingen gemaakt. Het overgrote deel is van Frankische makelij, gesmeed in werkplaatsen langs de Rijn en verhandeld of geroofd richting noord en oost. Karel II ‘de Kale’ Ψ verbiedt in 864 op straffe des doods de verkoop van wapens aan vreemden, en al eerder — in 811 — verbiedt het Capitulare Bononiense geestelijken om zwaarden of harnassen aan niet-Franken te leveren. Dat dergelijke verboden steeds opnieuw moeten worden uitgevaardigd, zegt iets over de hardnekkigheid van de handel.

Vikingzwaarden uit de negende en tiende eeuw, gevonden in Noorwegen. De gevestvorm met halfronde knop en stevige pareerstang is karakteristiek voor de Petersen-typen H, S en X. Foto: Wikimedia Commons (Kulturhistorisk Museum Oslo, VIKINGR-tentoonstelling)
Vikingzwaarden uit de negende en tiende eeuw, gevonden in Noorwegen. De gevestvorm met halfronde knop en stevige pareerstang is karakteristiek voor de Petersen-typen H, S en X. Foto: Wikimedia Commons (Kulturhistorisk Museum Oslo, VIKINGR-tentoonstelling)

Het vikingzwaard valt op door zijn doelmatigheid. De pareerstang is breder en zwaarder dan voorheen, en eindigt vaak in licht gekromde armen. De kling is slanker en taps toelopend, met een geul over vrijwel de hele lengte. De knop, in de oudere typen nog samengesteld uit een kraag en een bovenstuk, wordt vaak in één stuk gesmeed en groeit uit tot een fors tegenwicht — bij sommige typen krijgt hij de vorm van een platgedrukte halve bol, in de literatuur wel met een theemuts vergeleken. Door dat zwaardere tegenwicht komt het zwaartepunt dichter bij de hand te liggen en wordt het zwaard, ondanks zijn omvang, lichter te hanteren. De punt wordt geschikter om mee te steken, al blijft houwen het hoofdgebruik.

De kling is in deze fase niet meer overwegend gedamasteerd. Vroege exemplaren bestaan vaak nog uit een gesmede combinatie van een ijzeren kern en opgelaste stalen snijkanten — de zogeheten piled construction — maar in de loop van de tiende eeuw wint het homogeen stalen lemmet terrein. Dat wordt mogelijk door betere ovens en hoogwaardiger grondstof, soms zelfs door geïmporteerd gegoten staal.

Typologie

 

De studie van vikingzwaarden steunt op de classificatie die de Noor Jan Petersen in 1919 publiceerde in De Norske Vikingesverd. Petersen onderscheidde op grond van de gevestvorm — vooral de knop en de pareerstang — zesentwintig hoofdtypen, alfabetisch aangeduid van A tot en met Æ. Elk type heeft een eigen tijdsbereik, waardoor een gevest helpt het graf of de vondstcontext te dateren. Een type H-zwaard wijst doorgaans op de negende eeuw, een type Z op de late tiende of vroege elfde. Latere onderzoekers hebben de typologie verfijnd of vereenvoudigd. R.E.M. Wheeler reduceerde het aantal typen in 1927 tot negen; Ewart Oakeshott bouwde voort op Wheeler en voegde twee overgangstypen toe naar het hoog-middeleeuwse ridderzwaard. Voor het Oost-Frankische gebied — waaronder Lotharingen en daarmee Oost-Nederland valt — geldt sinds 1991 de typologie van Alfred Geibig als gezaghebbend. Geibig analyseerde 347 zwaarden uit Duitse collecties en stelde aparte reeksen op voor klingvormen (1 tot en met 14) en knopvormen (1 tot en met 17). Zijn werk dekt juist de overgangsperiode van de achtste tot de twaalfde eeuw, en omvat dus ook de overgang van het ‘Vikingse’ naar het ‘ridderlijke’ zwaard.

In Zutphen ligt een fraai voorbeeld in het Stedelijk Museum: een vroeg-middeleeuws zwaard van het type Petersen B, daterend uit het einde van de achtste of het begin van de negende eeuw. De kling is in de lengterichting versierd, het gevest met pareerstang en knop is karakteristiek voor de overgang van Karolingisch naar Vikingse vormgeving. Het type B is een van de oudste in Petersens reeks en kan zowel uit Frankische werkplaatsen afkomstig zijn als uit een vroege Scandinavische navolging. Voor het Kwartier van Zutphen is dit zwaard het tastbaarste bewijs dat de vroeg-middeleeuwse handelsroutes via de IJssel ook hoogwaardig wapentuig over lange afstand transporteerden.

Merknamen op de kling

Ulfberht-zwaard, eerste helft van de negende eeuw, gevonden in de Rijn bij Mannheim. De inlay met de naam VLFBERHT is duidelijk zichtbaar. Germanisches Nationalmuseum, Neurenberg. Foto: Wikimedia Commons (Anagoria, CC BY 3.0).
Ulfberht-zwaard, eerste helft van de negende eeuw, gevonden in de Rijn bij Mannheim. De inlay met de naam VLFBERHT is duidelijk zichtbaar. Germanisches Nationalmuseum, Neurenberg. Foto: Wikimedia Commons (Anagoria, CC BY 3.0).

Een opvallend kenmerk van de vikingzwaarden is dat sommige klingen een naam dragen, ingelegd in ijzerdraad of vlechtwerk. De bekendste is Vlfberht (gewoonlijk geschreven als +VLFBERH+T+ of +VLFBERHT+), een Frankische persoonsnaam waarvan de drager — als die ooit één persoon is geweest — vermoedelijk in de eerste helft van de negende eeuw heeft gewerkt. De inscriptie blijft echter tot in de elfde eeuw verschijnen, op talloze klingen die door verschillende smeden over een groot tijdsbestek zijn vervaardigd. Wat begon als een persoonsnaam, is dan een merknaam geworden. Ongeveer 170 Ulfberht-klingen zijn bekend, met een zwaartepunt in Scandinavië en de Baltische landen.

Voor Oost-Nederland is het belangrijkste exemplaar gevonden ten zuiden van de regio, in de Maas bij Lith — een tiende-eeuws Ulfberht-zwaard, nu in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden. De vondst illustreert dat Frankische topkwaliteit zich via de grote rivieren over heel Noordwest-Europa verspreidt. De Rijnlandse smeedcentra liggen aan precies dezelfde waterwegen waaraan ook de IJsselsteden — Deventer voorop — hun opkomende handelspositie ontlenen. Een Ulfberht-zwaard in het Kwartier van Zutphen is dus op zichzelf niet bewezen, maar past wel in het patroon dat te verwachten valt.

Naast Vlfberht verschijnen vanaf het midden van de tiende eeuw twee andere namen: Ingelrii (in oudere literatuur Ingelri) en Gicelin. Ingelrii is gangbaar tussen ongeveer 950 en 1050, en overlapt dus deels met de jongste Ulfberht-klingen; Gicelin loopt door tot in de twaalfde eeuw. Ook deze namen zijn snel uitgegroeid tot kwaliteitsmerken, en dat trekt navolging aan. Klingen met identieke inscripties en duidelijk inferieure metallurgie zijn in tal van vondsten geïdentificeerd. Recent metallurgisch onderzoek door Alan Williams op basis van exemplaren uit de Wallace Collection in Londen, toont aan dat de echte Ulfberht-zwaarden zijn vervaardigd van hoogwaardig staal met een hoog koolstofgehalte — een product dat mogelijk als gegoten staal vanuit Centraal-Azië werd ingevoerd, langs dezelfde Volga-route waarlangs de Vikingen zilver naar het noorden brachten. De namaakzwaarden, met dezelfde inscriptie maar een veel lager koolstofgehalte, missen die kwaliteit. Voor wie ze in handen kreeg, was het onderscheid tussen origineel en imitatie waarschijnlijk niet eenvoudig vast te stellen — totdat het wapen op het beslissende moment doorboog of brak.

In de elfde eeuw begint het zwaard zich te ontwikkelen tot een steekwapen, met smallere, taps toelopende klingen en een spitsere punt. Daarmee opent zich de periode van de stootzwaarden en, in een parallelle lijn, de slagzwaarden van de late middeleeuwen.

Bronnen

Primaire bronnen en edities

  • Cassiodorus. Variae. Onder redactie van Theodor Mommsen. Monumenta Germaniae Historica, Auctores Antiquissimi 12. Berlijn: Weidmann, 1894. https://www.dmgh.de/.

Literatuur

  • Amkreutz, Luc, en Annemarieke Willemsen, red. Vlijmscherp verleden. Het zwaard als wapen en symbool. Leiden: Sidestone Press / Rijksmuseum van Oudheden, 2016.
  • Es, W.A. van, en R.P. Schoen. “Het vroegmiddeleeuws grafveld van Zweeloo. Met bijlagen van W.A. van Bommel-van der Sluijs en L. Smits.Palaeohistoria 49/50 (2007/2008): 795–935.
  • Geibig, Alfred. Beiträge zur morphologischen Entwicklung des Schwertes im Mittelalter. Eine Analyse des Fundmaterials vom ausgehenden 8. bis zum 12. Jahrhundert aus Sammlungen der Bundesrepublik Deutschland. Offa-Bücher 71. Neumünster: Wachholtz, 1991.
  • Peirce, Ian. Swords of the Viking Age. Met een inleiding van Ewart Oakeshott. Woodbridge: Boydell Press, 2002.
  • Petersen, Jan. De Norske Vikingesverd. En typologisk-kronologisk studie over Vikingetidens vaaben. Kristiania: Dybwad, 1919.
  • Williams, Alan. The Sword and the Crucible. A History of the Metallurgy of European Swords up to the 16th Century. History of Warfare 77. Leiden / Boston: Brill, 2012.

Online bronnen

 

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende I des Sonnedages nae sunte Johannes van het Kruis dach, dat was op ten zesde ende tienden dach der maent van Decembri.