Wapengekletter
Door veranderingen in de maatschappij verschuift in de loop van de middeleeuwen het militaire zwaartepunt. De ridder te paard, eeuwenlang de spil van het leger, verliest geleidelijk terrein aan het voetvolk. In het begin van de veertiende eeuw lijden zwaar bewapende ridders enkele gevoelige nederlagen tegen goed georganiseerde voetsoldaten, die beweeglijker zijn en wier bewapening aanzienlijk wordt verbeterd. Het voetvolk blijkt niet langer een bijkomstigheid, maar een beslissende factor op het slagveld. Die verschuiving is niet alleen een West-Europees verschijnsel. Ook in Oost-Nederland tekent het patroon zich af. Bij de Slag bij Ane in 1227 verslaan lichtbewapende Drentse troepen een bisschoppelijk ridderleger in moerassig terrein — een vroeg en sprekend voorbeeld van de kwetsbaarheid van geharnaste cavalerie tegenover wendbaar voetvolk dat het terrein kent en benut.
Tegelijk groeit de militaire rol van de steden. In de IJsselsteden Deventer, Kampen en Zwolle, maar ook in Gelderse steden als Zutphen, Doesburg en Lochem, onderhouden de stadsbesturen eigen wapenvoorraden en verplichten zij poorters tot wacht- en verdedigingsdienst. In 1362 trekken de drie grote IJsselsteden samen met bisschop Jan van Arkel op tegen kasteel Voorst bij Zwolle, het bolwerk van Zweder van Voorst. Het vijftien weken durende beleg illustreert hoe stedelijke milities inmiddels een onmisbare militaire factor zijn geworden.
Het is met de bewapening van de vroeg-veertiende-eeuwse soldaat een lastige zaak. Een betrekkelijk groot aantal termen voor uitrustingsstukken is in vele talen overgeleverd, maar onder die termen bevinden zich er enkele die bij de huidige historicus geen duidelijke voorstelling oproepen. Welk wapen precies schuilgaat achter een bepaalde naam, blijft soms een kwestie van gissen.
Kleren maken de man

In de middeleeuwen streeft de krijgsman naar een zo groot mogelijke bescherming van het lichaam. Die bepantsering moet hem behoeden tegen slag- en steekwapens van uiteenlopende aard, maar mag hem tegelijk niet hinderen in zijn bewegingsvrijheid — te paard noch te voet. Het is een voortdurend zoeken naar het beste evenwicht tussen bescherming en wendbaarheid. Omdat de aanvalswapens in de loop der eeuwen steeds doeltreffender worden, moet de bepantsering mee in die wedloop. Materiaal en constructie veranderen daardoor geregeld.
Door die voortdurende veranderingen bestaat er op geen enkel moment een volledig uniforme bewapening. Verouderde en aan de nieuwe eisen aangepaste typen bestaan naast elkaar. IJzer is een kostbare grondstof die vaak wordt hergebruikt, en tussen de ridder van goede komaf en de eenvoudige boerenknecht gaapt een wereld van verschil in uitrusting.
Bepantsering van het lichaam
In de achtste en negende eeuw draagt men een maliënkolder of byrnie. De kunst van de vervaardiging van maliën, uit kleine metalen ringetjes geweven hemden, is nooit verloren gegaan. Uit 773 stamt een beschrijving van koning Karel I ‘de Grote’ Ψ die zijn dijen beschermt met ijzeren maliën. Gedurende verscheidene eeuwen vormen maliën de belangrijkste bepantsering van de krijgsman. In de twaalfde eeuw verschijnen harnassen van zware metalen platen, als antwoord op wapens met spitse punten zoals pijlen en hellebaarden.
De helm
Helmen behoren al eeuwenlang tot de uitrusting van de soldaat. Tot de elfde eeuw bestaat er in hoofdzaak één type, de spangenhelm. Daarna komen gevarieerde typen in gebruik, zoals de spits-conische helm. Er wordt voortdurend op het thema gevarieerd, omdat de aanvalswapens steeds zwaarder worden uitgevoerd. In de veertiende eeuw verschijnen de eerste vizierhelmen.

Tot het begin van de vijftiende eeuw is de helm het enige geheel uit ijzer vervaardigde onderdeel van de wapenrusting. De helmsmid staat daardoor al vroeg in hoog aanzien. Met behulp van het type helm is vaak globaal te duiden uit welke periode een middeleeuwse afbeelding stamt, al is voorzichtigheid geboden: helmen zijn kostbaar bezit en worden van generatie op generatie doorgegeven.
Het schild
Een van de oudste verdedigingswapens is het schild, steeds gedragen aan de linkerarm zodat de rechterhand vrij blijft voor het aanvalswapen. Ook hier is een ontwikkeling in vorm en functie te bespeuren. Het schild beïnvloedt zelfs het ontwerp van verdedigingswerken: de onbeschermde zijde van de strijder wordt het meest blootgesteld, en daar houdt de bouwer rekening mee.
In de dertiende eeuw wordt het schild voor het eerst beschilderd met het blazoen (het persoonlijke wapenteken) van de ridder. Die versiering neemt een hoge vlucht en groeit uit tot een zelfstandige wetenschap: de heraldiek.
Ten aanval
Het zwaard
Tot de oudste wapens van de krijgsman behoort het zwaard, in de middeleeuwen een van de belangrijkste wapens voor de strijd van man tegen man. De vroeg-middeleeuwse zwaarden ontwikkelen zich via slagzwaarden tot de spitsere stootzwaarden van de late middeleeuwen. Die ontwikkeling wordt mede ingegeven door de steeds betere bescherming door maliën en plaatwerk: om een geharnaste tegenstander te raken, moet de kling spitser en de stoot krachtiger worden. De knop aan het uiteinde van het gevest zorgt voor een betere balans en wendbaarheid.
Archeologische vondsten brengen die ontwikkeling soms tastbaar dichtbij. In het Stedelijk Museum Zutphen bevindt zich een vroeg-middeleeuws zwaard van het type Petersen B, daterend uit het eind van de achtste of het begin van de negende eeuw. De kling is in de lengterichting versierd en het gevest met pareerstang en knop is typerend voor de Vikingperiode. Een heel ander voorbeeld levert het Oversticht. Bij opgravingen in 1982 in de grachten van kasteel Voorst bij Zwolle — verwoest in 1362 — kwam een laat-middeleeuws zwaard tevoorschijn met een wortelhouten gevest, aan weerszijden afgezet met zilverbeslag. Op het gevest staan de gotische letters HNAON, vermoedelijk een afkorting die zoveel betekent als “dit nieuwe wapen doodt allen.”

De hellebaard
De strijdbijl, het zwaard en de dolk reiken niet hoog genoeg om een ernstige bedreiging te vormen voor een man te paard. Vanaf de dertiende eeuw worden daarom stokwapens opgenomen in de bewapening van het voetvolk. Onder stokwapens verstaat men de op lange houten schachten gemonteerde wapens, bestemd voor houwen, steken of beide. Het bekendste is de hellebaard, in oorsprong een houwwapen. In de dertiende eeuw streeft men naar een gecombineerd houw- en stootwapen. Aanvankelijk is de strijdbijl nog herkenbaar in het ontwerp. In de veertiende eeuw wordt een sterke haak aan de rugzijde geplaatst, die er onder andere voor dient om ruiters van hun paard te trekken of hun wapenrustingen te doorboren.
Dat de hellebaard een verschrikkelijk wapen is, blijkt uit beschrijvingen die melden dat ‘ros unde man diu beide‘ worden doorkliefd. De wonden moeten inderdaad vreselijk zijn geweest.
De goedendag
De goedendag is een wapen dat vooral bekendheid geniet door de Guldensporenslag bij Kortrijk in 1302, waar Vlaamse stedelijke milities het met groot effect inzetten tegen de Franse cavalerie. Het is in wezen een stevige houten staf van ongeveer anderhalf meter lang, dikker toelopend aan het boveneinde, met daarop een ijzeren stootpunt. Het wapen dient zowel als knots om mee te slaan als als stootwapen om mee te steken. De Vlamingen zelf noemen het een gepinde staf.
De herkomst van de naam is omstreden. De Franse kroniekschrijver Guillaume Guiart, die in 1297 zelf meevocht, gebruikt als eerste de term godendac. Sommige onderzoekers brengen het woord in verband met het Middelnederlandse dag in de betekenis van steekwapen, verwant aan het Engelse dagger — de goedendag zou dan zoiets betekenen als “goede dolk.” Anderen zien er een ironische woordspeling op de groet “goedendag” in. De etymoloog Frans Debrabandere heeft de kwestie in 2002 uitvoerig behandeld zonder tot een definitieve conclusie te komen.
In Oost-Nederlandse bronnen komt de goedendag niet voor. Het is bij uitstek een Vlaams stedelijk wapen.
De morgenster
Als slagwapen heeft men daarnaast de morgenster. Dit wapen, dat vaak wordt verward met de goedendag, bestaat uit een houten schacht met een verdikt en met scherpe ijzeren punten beslagen uiteinde. Het is een zuiver slagwapen, wiens doelmatigheid wordt bepaald door zijn gewicht en het aantal scherpe punten.
Pijl en boog
Onder de bogen die gedurende het grootste gedeelte van de middeleeuwen in Europa worden gebruikt, zijn twee hoofdtypen te onderscheiden. Het eerste is de korte boog of composietboog, ook wel ruiterboog genoemd, met een lengte van circa 100 tot 130 centimeter. Deze boog is samengesteld uit pees, hout en hoorn of bot, en kan zowel door voetsoldaten als ruiters worden gehanteerd. Of dit type in de middeleeuwen in de Nederlanden veel voorkomt, is de vraag; oorspronkelijk stammen deze bogen uit het oosten, onder meer uit Hongarije. Het best beschikbaar in de Nederlanden zijn schapenhoorn en koeienpees, maar dat zijn niet de meest geschikte materialen. Als hout wordt iep, es of voor de zwaarste bogen taxuskernhout gebruikt. De onderdelen worden samengelijmd met lijm van vissenblaas, bij voorkeur steur, of lijm van koeienpees.
Het tweede type, de langboog (lattenboog of platboog), heeft een lengte van 160 tot 170 centimeter en kan door zijn afmetingen uitsluitend door voetsoldaten worden gehanteerd. In de meeste bronnen over de Nederlanden, Frankrijk, Engeland en Duitsland komen voornamelijk dit soort bogen voor. Ze zijn betrekkelijk snel te vervaardigen — een ervaren bogenmaker heeft er zes tot acht uur voor nodig — en de geschikte houtsoorten zijn lokaal beschikbaar. Op een afstand van circa negentig meter zijn de pijlen met stalen punten dodelijk.
De kortere composietboog heeft door zijn hogere spanning een groter bereik dan de langboog. Een goede composietboog schiet bovendien anderhalf tot twee keer zo snel als een langboog van vergelijkbaar gewicht. De langboog is vermoedelijk nauwkeuriger.
De Narracio de groninghe, de voornaamste bron over de Slag bij Ane, beschrijft hoe de Drentse troepen onder meer pijl en boog hanteren naast geïmproviseerde wapens als messen en landbouwwerktuigen. Hun lichte bewapening, een nadeel in open veld, blijkt in het moerassige terrein juist een voordeel.
De kruisboog

Uit de gewone handboog ontwikkelt zich al in de klassieke oudheid het eerste mechanische handwapen: de kruisboog. Wat er in de vroege middeleeuwen met dit wapen gebeurt, is grotendeels onbekend, maar in 1139 verbiedt het Tweede Lateraans Concilie het gebruik ervan in oorlogen tussen christenen. Dat verbod heeft weinig praktisch effect. De kruisboog is wijd verspreid in Zuid- en Oost-Europa, en de meeste kruisboogschutters zijn aanvankelijk huurlingen uit die contreien. Vanaf de dertiende eeuw komen ze ook uit Vlaanderen en Frankrijk.
Er bestaan diverse typen kruisboog. De bekendste is de tweevoeter. Het spannen van de hoornen boog gebeurt met behulp van de spanhaak, een soort stijgbeugel die aan een gordel om het middel van de schutter hangt. Men spant de kruisboog door zowel het bovenlichaam als de gebogen benen in de stijgbeugel met kracht te strekken. Een geoefende schutter lost op die manier twee tot vier schoten per minuut. Hoewel dat aanzienlijk minder is dan bij de handboog, compenseert de kruisboog dat met zwaardere pijlen en een grotere schotsafstand. Het vak van kruisboogschutter is veeleisend en vergt veel oefening, maar de soldij is navenant.
De versterking van wapenrustingen met ijzeren platen is waarschijnlijk mede het gevolg van het toenemende gebruik van kruisbogen. Wegens de grote schotsafstand en doorslagkracht wordt de kruisboog door ridders als een onridderlijk wapen beschouwd, al bekwamen sommige heren zich wel degelijk in het schieten ermee. De afkeer is begrijpelijk: een kruisboogschutter kan op afstand een geharnaste ridder uitschakelen zonder zich aan het gevaar van een handgemeen bloot te stellen.
Handboog en kruisboog blijven gedurende de hele middeleeuwen naast elkaar bestaan, elk met hun eigen voor- en nadelen. De kruisboog is accurater en doorslagkrachtiger, met een groter bereik. De handboog is sneller, goedkoper, en onder slechte weersomstandigheden betrouwbaarder. Veel middeleeuwse legers tellen dan ook zowel korpsen handboogschutters als kruisboogschutters. In de steden van het Oversticht en Gelre ontstaan vanaf de late middeleeuwen schuttersgilden die het schieten met handboog of kruisboog beoefenen — oorspronkelijk als stedelijke weerbaarheid, later steeds meer als eerbetoon en gezelligheid.
Bronnen
Primaire bronnen en edities
- Rij, H. van (red.), Quedam narracio de Groninghe, de Drente, de Covordia et de diversis aliis sub diversis episcopis Traiectensibus, Verloren, Hilversum, 1989.
Literatuur
- Debrabandere, Frans, “De naam van het wapen goedendag”, in: De Leiegouw, jrg. 44, 2002, nr. 2, p. 163–170.
- DeVries, Kelly, Infantry Warfare in the Early Fourteenth Century: Discipline, Tactics and Technology, Boydell, Woodbridge, 1996.
- Koch, J.H.W., Over hellebaarden, donderbussen en huurlingen, Elsevier, Amsterdam, 1980.
- Norman, Vesey, Waffen und Rüstungen, Parkland Verlag, Stuttgart, 1977.
- Renaud, J.G.N. et al., Het kasteel Voorst: macht en val van een Overijsselse burcht, Waanders, Zwolle, 1983.
- Sloot, R.B.F. van der, Middeleeuws wapentuig, C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1964.
- Spiekhout, Diana, Het middeleeuwse kastelenlandschap van het Oversticht: de ontwikkeling van bisschoppelijke burchten, adellijke huizen en versterkingen in relatie tot het landschap en de samenleving in Noordoost-Nederland tussen 1050 en 1450, diss. Rijksuniversiteit Groningen, 2020.
- Verbruggen, J.F., De krijgskunst in West-Europa in de Middeleeuwen, IXe tot begin XIVe eeuw, Koninklijke Vlaamse Academie, Brussel, 1954. Engelse vertaling: The Art of Warfare in Western Europe during the Middle Ages, from the Eighth Century to 1340, Boydell, Woodbridge, 1997 (2e herziene druk).
- Verbruggen, J.F., “De goedendag”, in: Militaria Belgica, vol. 1, 1977.
Online bronnen
- Archeologie Overijssel, “Vondst van Overijssel — Gemeente Zwolle” (zwaard kasteel Voorst), https://www.archeologieoverijssel.nl/vondst-van-overijssel-gemeente-zwolle/, geraadpleegd 29 maart 2026.
- Erfgoedcentrum Zutphen, “‘Nieuw’ zwaard in het Verhaal van Zutphen”, https://erfgoedcentrumzutphen.nl/ontdekken/ontdek/erfgoed-van-de-week/262-nieuw-zwaard-in-het-verhaal-van-zutphen, geraadpleegd 29 maart 2026.
Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MCM ende XCVIII des Sonnendages voor Heilige Laurentius dach, dat was op ten negenden dach der maent van Augusti.