Zoeken

Wichman (II) van Hamaland (848-86x)

Wichman (II) van Hamaland

Van voorname Saksische afkomst

Wichman (II) Ψ stamt naar alle waarschijnlijkheid uit een aanzienlijk gravengeslacht dat in de oudere literatuur de Pre-Billungers heet.

Die term is een hulpaanduiding: hij verbindt een aantal Saksische graven uit de eerste helft van de negende eeuw met de latere Billungers, die vanaf 936 de hertogen van Saksen leveren. Een stamvader Billung of Billing is voor deze familie niet aanwezig in de bronnen; de naam is een latere constructie. Bij de Billungers is de naam Wichman gereserveerd voor de oudste zoon, en juist die regelmaat heeft genealogen ertoe gebracht oudere Wichmannen in een familieverband te brengen.

De Frankisch-Deense onderhandelingen aan de Eider in 811. Aan de oever leggen de Deense gezanten hun wapens af terwijl de partijen het verdrag bespreken dat de grens tussen het Frankische rijk en het Deense koninkrijk van Hemming vastlegt. Aan beide zijden treden twaalf gevolmachtigden op; onder de Frankische namen de Annales Regni Francorum een graaf Wichman (I) en Meginhard I(?) (AI-gegenereerd).
Frankisch-Deense onderhandelingen aan de Eider in 811 — een beeld van de grenswereld waarin het vroege Hamalandse gravenhuis opereert. (AI-gegenereerd).

De vermoedelijke grootvader van moederszijde van Wichman (II) is Wichman (I) Ψ. Deze treedt in 811 op als een van de onderhandelaars bij het verdrag aan de Eider, een Frankisch-Deense afspraak die de Annales regni Francorum uitvoerig beschrijven. Voor zo’n diplomatieke opdracht koos Karel I ‘de Grote’ Ψ geen onbeproefde figuur, zodat Wichman (I) toen al een gevestigde naam moet hebben gehad. Hij is vermoedelijk dezelfde graaf UUithmannus die in 825 volgens de Traditiones Corbeienses tien hoeves in Duncgon (Alt Schwalenberg in de Wetigouw, zuidoostelijk van Detmold) aan de abdij van Corvey schenkt. Eerste getuige bij die schenking is een zekere Herman, mogelijk een broer.

Wichman (I) is in 811 niet de enige graaf in wat later het Hamalandse netwerk zal blijken te zijn. Ook een graaf Meginhard verschijnt aan de Eider. Of dit dezelfde Meginhard is als Wrachari’s zoon Meginhard (I) Ψ, die in 794 in Brummen een schenking aan Liudger mede-onderschrijft, valt strikt genomen niet te bewijzen. De mogelijkheid blijft open en is in zoverre betekenisvol dat zij laat zien dat de twee families — Pre-Billungers en Meginhardi — al in deze generatie op één diplomatieke missie samenwerken. Twee generaties later worden zij dan door een huwelijk verbonden.

Over ‘mannen’

De vermeende verwantschap binnen wat Wenskus in 1976 een ‘-man-familie’ noemde, rust op een schenkingsreeks van Corvey waarin telkens namen op ‘-man’ optreden. Wichman (I) verschijnt in 825 met Herman Ψ als eerste getuige; in 837/838 schenkt diezelfde Herman zelfstandig goed in Dungen; rond 843 herdenkt Herman vervolgens zijn vader Redman met goederen in Hasbeke en Hummersen, waarbij Waldman als eerste getuige optreedt. De cluster is geografisch coherent: Dungen ligt in de Wetigouw, Hummersen iets oostelijker, Hasbeke vermoedelijk bij Holzminden. Of hieruit valt af te leiden dat de drie Hermannen één en dezelfde persoon zijn, blijft onzeker. De aanname van een bloedband tussen al deze ‘-mannen’ staat dus niet onwrikbaar vast.

Op deze website wordt aangenomen dat Wichman (I) wel tot de voorzaten van het latere Hamalandse gravenhuis behoort, maar via een vrouwelijke schakel. Een onbekend gebleven dochter Ψ van Wichman (I) trouwt in dit scenario met de Saksische graaf Bennid (I) Ψ, ook bekend als Bernhard, ook een populaire naam bij de Billungers. Uit dat huwelijk komen vermoedelijk drie zonen voort: Amelung (II) Ψ, Wichman (II) en Herman. Dat Amelung de oudste zou zijn, ligt voor de hand omdat Bennid (I)’s vader Amelung (I) Ψ heet. Wichman (II) krijgt dan een naam die naar zijn grootvader van moeders kant verwijst.
Jongbloed heeft in 2012 deze aanname expliciet onderschreven door Wichman (II) van 855 in de noten van zijn Balderik-artikel onder de voorzaten van het latere Hamalandse gravenhuis te scharen.
De prosopografische analyse van de Reichenauer memoria-inscripties die  Ludwig in 2014 voor de Hamalandse verwanten ondernam, bevestigt de plausibiliteit van de gereconstrueerde verwantschapsstructuur op meerdere punten. Van Winter heeft in 1980 een andere oplossing voorgesteld waarin Wichman (II) een (klein)zoon van Meginhard I is, maar tegen die variant pleit dat het achtervoegsel ‘-man’ bij de hari-familie (Brunhari Ψ en Wrachari Ψ) niet voorkomt en dat de hari-namen later niet bij de Hamaländer terugkeren. Een vrouwelijke schakel verklaart de wijziging in het naampatroon eenvoudiger.

Een huwelijk dat twee families samenbrengt

Schematische weergave van de hypothetische afstamming van Wichman (II) langs de moederlijke lijn (AI-gegenereerd).
Schematische weergave van de hypothetische afstamming van Wichman (II) langs de moederlijke lijn (AI-gegenereerd).

Het verband tussen de generaties verloopt als volgt. Wichman (I) onderhandelt in 811 aan de Eider; hij moet dan een volwassen man zijn en kan halverwege de achtste eeuw zijn geboren. Zijn dochter zal grofweg rond 785 ter wereld zijn gekomen, zodat haar zoon Wichman (II) rond 800 geboren kan zijn. In 855 is hij dan ruim oud genoeg om als graaf te ambteren. Meginhard (I), op zijn beurt, is in 796 nog een jongeling en zal rond 780 zijn geboren; een dochter van hem Ψ kan rond 800 worden gesitueerd. Wichman (II) en deze hypothetische erfdochter zijn in dat schema generatiegenoten.

Met dit hypothetische huwelijk smelten twee machtige families samen: de Meginhardi en de (Pre-)Billungers. Het naamargument ondersteunt deze reconstructie. De naam Meginhard verschijnt pas in de generatie nà Wichman (I) bij de Hamaländer en wordt vervolgens een leidende naam in de familie; bij de oudere Pre-Billunger-tak komt hij niet voor. Bezitstechnisch is hetzelfde patroon zichtbaar: het Saksisch-Westfaalse zwaartepunt rond Wetigouw en Dungen blijft bij de oudere linie, terwijl het bezit in IJsseldal, Veluwe, Salland en Drenthe, kenmerkend voor de Meginhardi, bij de Hamaländer opkomt. De naam Wichman komt bij de Meginhardi één keer terug, waarschijnlijk als politieke naamgeving om de verwantschap met de Billungers te benadrukken. Wichman (II) en zijn vrouw krijgen twee zonen: Wichman (III) Ψ en Meginhard (II) Ψ.

De terugkeer van Rorik

In 850 keert Rorik Ψ uit zijn ballingschap terug en bezet Dorestad. Lothar I Ψ weet niets beters te bedenken dan deze Deen opnieuw met de handelsplaats en omliggende graafschappen te belenen. Het ressort omvat “Dorestad en andere graafschappen” en wordt door Coupland in zijn analyse van het mid-negende-eeuwse Frisia in 2024 beschreven als een aanzienlijk gebied. De juridische status nadert die van een markgraafschap: Rorik is verantwoordelijk voor de afdrachten aan de schatkist én voor de grensverdediging tegen andere Noormannen. Praktisch komt het erop neer dat hij de baas is over dat deel van Frisia ten westen van het Vlie dat tot het rijk van Lothar I behoort. In wiens naam hij dat doet, maakt voor de Friese bevolking weinig uit. Wichman (II) krijgt daarmee een opportunistische en potige buurman, al is Rorik te druk met zijn Deense ambities om hem werkelijk lastig te vallen.

In 855 vertrekt Rorik naar Denemarken om koning te worden. Lothar I draagt zijn ambtsgebied dan over aan zoon Lothar II Ψ, kennelijk ter vervanging. Rorik komt onverrichterzake terug. Twee jaar later probeert hij het opnieuw in Denemarken; nu blijkt hoe nuttig hij voor de kustverdediging is geweest. Het Nederrijnse gebied wordt prompt door andere Vikingen aangevallen en geplunderd, met nieuwe overvallen op Utrecht en Dorestad. Bisschop Hunger van Utrecht verplaatst zijn zetel naar Odiliënberg in het Maasdal nabij Roermond, een oord dat Lothar II hem in 858 daarvoor toewijst. Of die verplaatsing geheel aan de Noormannen is toe te schrijven, is bij nader inzien minder zeker dan lang is aangenomen. Van Der Tuuk heeft in 2003 laten zien dat een directe Vikingaanval op Utrecht in de contemporaine bronnen vrijwel niet wordt vermeld. Voor Hungers verhuizing van 857–858 ligt het verband met Roriks afwezigheid en de aanvallen door ‘andere Denen’ wel voor de hand. Verder stroomopwaarts wagen de Vikingen zich blijkbaar nog niet, omdat de aftocht dan onzeker wordt. Pas in de tweede helft van de negende eeuw richten zij winterkampen in, waardoor hun actieradius vergroot.

Spaarzame gegevens

Naast deze afgeleide context is er over Wichman (II) zelf weinig bekend. In 855 verschijnt hij in een schenkingsoorkonde waarmee een zekere Folker goederen aan de abdij van Werden vermaakt. De oorkonde situeert een deel van Folkers goederen “in pago Hamulande, in comitatu Uuigmanni”: in de gouw Hamaland in het graafschap van Wichman. Een ander deel van de schenking betreft de Betuwe, in het graafschap van Ansfried Ψ. De Hamalandse goederen zelf worden in de overgeleverde tekst niet bij naam genoemd, zoals Jongbloed in 2006 heeft aangetoond: het bijbehorende commentariolum is bij het afschrijven verloren gegaan. De wel met name genoemde goederen bij Amersfoort in de gouw Flethetti, en op de Veluwe horen bij latere dotaties van Folker en niet bij de oorspronkelijke Hamalandse schenking. Het oude misverstand dat Veluwe en Flethetti tot een ‘Groot-Hamaland’ zouden behoren, heeft Jongbloed daarmee opgelost.

Wichman (II) is daarmee de eerste Hamalandse graaf wiens ambtsgebied uit een gedateerde oorkonde valt af te leiden. Dat graafschap omvat in 855 de gouw Hamulande, het gebied dat geleidelijk de oudere namen pagus Islo (IJsselgouw) en pagus Leomericke (Liemers) zal verdringen. De gouw Liemers wordt nog in 838 afzonderlijk genoemd voor Duiven en de hof Eltinge, terwijl Doetinchem, Wichmond en Oeken in datzelfde stuk in pagus Islo liggen. De Oude IJssel lijkt dan de grens tussen beide te zijn. Of Wichman (II) ook buiten zijn ambtsgebied grondbezit had, bijvoorbeeld op de Veluwe, is uit de bronnen niet rechtstreeks vast te stellen, maar latere generaties van de familie hebben er aantoonbaar belangen.

De erfgang van een ‘Nederlands’ goederencomplex

In de oudere literatuur wordt soms geen onderscheid gemaakt tussen Wichman (II) uit 855 en de Wichman die volgens de Annales Fuldenses in 880 als comes Wigmannus in Saksen door Noormannen wordt verslagen. In het hier geschetste scenario is dat onderscheid wel nodig: Wichman (II), geboren rond 800, is in 880 te oud om de strijd nog persoonlijk te leiden. De Wichman van 880 is dan zijn oudere zoon, Wichman (III), die het Westfaalse goederencomplex erft.

Van Winter heeft in 1980 voorgesteld dat omstreeks 860, na het overlijden van Wichman (II), een magescheid plaatsvindt waarbij de Westfaalse bezittingen aan de Billungers toevallen en de ‘Nederlandse’ belangen (Gelderland, Overijssel, Drenthe) aan de Meginhardi. Het Groninger Ommeland zou daarbij verder zijn gesplitst: goederen voor de Meginhardi, grafelijke rechten voor de Billungers. Op die manier wil Van Winter verklaren waarom Ekbert I Ψ en Ekbert II Ψ van Brunswijk, beide Brunonen, en hertog Gozelo I van Verdun Ψ in de elfde eeuw rechten in het Groninger Ommeland kunnen opeisen. Het overervingspad loopt in haar reconstructie via zes of acht aangetrouwde generaties terug op Wichman (II).
Tegen die hypothese pleit zijn een aantal bezwaren in te brengen. In zes tot acht generaties komt veel meer ‘familie’ in aanmerking om aanspraken te laten gelden dan alleen de drie genoemde geslachten. Grafelijke rechten en rijkslenen gaan in beginsel naar de oudste zoon; een verdeling over meerdere zoons is ongebruikelijk en vergt koninklijke instemming. Afsplitsing van een deel als huwelijksgift voor een dochter, terwijl er zonen geboren zijn, is denkbaar maar onwaarschijnlijk. Belangrijker nog: Van Winters hypothese verklaart de aanspraken van Liudolf III van Brunswijk Ψ en Gozelo I in het Ommeland, maar laat onverklaard waarom Rudolf I van Werl Ψ en zijn neefjes Bernhard III Ψ en Adalbert Ψ zich rond dezelfde tijd aan de Groninger kust vertonen. Balzer heeft de hypothese in 2006 in vernieuwde vorm verdedigd, maar zonder voor de Groningse problematiek nieuwe argumenten aan te dragen.

Het Verdun-spoor

Jongbloed heeft in 2006 en 2009 een eenvoudiger scenario voorgesteld dat niet zo ver in de tijd hoeft terug te grijpen. In zijn reconstructie erft het huis Verdun de Meginhardse bezittingen niet via de erfgenamen van Wichman (II), maar via het huwelijk tussen Godfried ‘de Gevangene’ Ψ en Averarda Ψ, een dochter van Eberhard (III) van Salland Ψ. Eberhard (III) is volgens Jongbloed te vereenzelvigen met Eberhard die in 944 als graaf van Drenthe en in 956 en 960 als graaf van Salland verschijnt; hij is de halfbroer van Wichman (IV) ‘van Elten’ en deelt met hem de erfenis van het Hamalandse gravenhuis. De erfdeling van 944 die is gedocumenteerd (anders dan de hypothetische van 860) wijst de noordelijke gebieden Drenthe, Salland en Hunzego/Fivelgo aan Eberhard (III) toe en Hamaland zelf, met de Veluwe en vermoedelijk Nerdinclant (het Gooi), aan Wichman (IV). Wanneer Eberhards dochter Averarda met Godfried trouwt, brengt zij die noordelijke ambten in het huis Verdun.

Voor wat in 1024–1025 gebeurt, biedt dit scenario een soepelere verklaring. Godfrieds zoon Gozelo I erkent in 1024 koning Koenraad II Ψ niet, en wanneer hij in 1025 alsnog huldigt, moet hij als straf een leengraaf in Hunzego en Fivelgo accepteren. Die leengraaf wordt gerecruteerd uit de naaste familie van koningin Gisela van Schwaben Ψ: haar halfbroer Rudolf I van Werl. Of de Werler halfneefjes Bernhard III en Adalbert en Gisela’s zoon uit een eerder huwelijk, Liudolf III van Brunswijk, ook mogen meedelen in de Verdunse buitenkans is ongewis. Dat Gozelo I voor hen in Emsgouw, Federgouw en Humsterland-Achtkarspelen vergelijkbare leenarrangementen heeft getroffen, valt niet rechtstreeks uit de bronnen af te leiden, maar het is naar analogie voorstelbaar. Het scenario van Jongbloed brengt alle hoofdrolspelers in één samenhangend drama samen en krijgt daarom voorrang boven de reconstructie van Van Winter en de identificatie van Jackman, die Godfried ‘de Gevangene’ met de prefect Godfried gelijkstelde. Een gefalsifieerde gelijkstelling die elders op deze website wordt beschreven.

De erfenis verdeeld

Welk model men ook volgt, Wichman (II) en zijn vrouw laten twee zonen na die de erfenis onderling verdelen. Wichman (III) krijgt als oudste zoon het vaderlijk goed en de bijbehorende grafelijke rechten in Westfalen; het Saksische zwaartepunt rond Wetigouw. Hij trouwt met Imhild Ψ, en zijn nageslacht zal uiteindelijk de Billunger-hertogen van Saksen voortbrengen. Meginhard (II) vestigt zich in de geboortestreek van zijn moeder. Dit patroon (een oudste zoon erft het vaderlijk goed met de bijbehorende grafelijke rechten, een jongere zoon vestigt zich op het moederlijk erfgoed) herhaalt zich binnen ditzelfde huis bij de erfdeling van 944, wanneer Wichman (IV) ‘van Elten’ Hamaland zelf krijgt en zijn jongere halfbroer Eberhard (III) de noordelijke ambten Salland, Drenthe en Hunzego/Fivelgo.

Het moederlijk erfgoed met de bijbehorende grafelijke rechten omvat in dit scenario Hamaland (Liemers en IJsselgouw), Veluwe, Salland, Drenthe en de Groninger Ommelanden van Hunzego en Fivelgo. De scheidingsgrens van het Saksisch-Hamalandse complex volgt vanaf Twente naar het noorden ongeveer de moderne Nederlandse grens, waardoor tussen het Middenrijk en Oostfranken een bufferzone ontstaat die van de Noordzee tot de Rijn loopt. Of die deling rond 860 ook werkelijk in die scherpe vorm is voltrokken, blijft hypothetisch. De erfdeling geeft de transmissie van Hamaland zijn definitieve vorm. Meginhard (II) volgt zijn vader op in het ‘Nederlandse’ goed, en uit zijn linie komt uiteindelijk het Hamalandse gravenhuis voort.

Bronnen

Primaire bronnen en edities

  • Annales Bertiniani. Editie: G. Waitz, MGH SSRG separatim V, Hannover, 1883. Geraadpleegd 25 mei 2026.
  • Annales Fuldenses. Editie: F. Kurze, MGH SSRG separatim VII, Hannover, 1891. Digitale toegang via dMGH, geraadpleegd 25 mei 2026.
  • Blok, D.P. Een diplomatisch onderzoek van de oudste particuliere oorkonden van Werden. Assen: Van Gorcum, 1960.
  • MGH DD Lo I/Lo II. Editie: T. Schieffer, Die Urkunden Lothars I. und Lothars II., MGH Diplomata Karolinorum III, Berlijn-Zürich, 1966. Geraadpleegd 25 mei 2026.
  • Lacomblet, Th.J. Urkundenbuch für die Geschichte des Niederrheins, Bd. I (UBNRh I), nr. 65 (855). Düsseldorf, 1840.
  • Traditiones Corbeienses I, §18b, §93, §122. Editie: K.A. Eckhardt, Studia Corbeiensia, Aalen: Scientia Verlag, 1970.

Literatuur

  • Balzer, Elisabeth. Adel — Kirche — Stiftung: Studien zur Geschichte des Bistums Münster im 11. Jahrhundert. Münster: Aschendorff Verlag, 2006.
  • Coupland, Simon. “Who ruled Frisia in the mid-ninth century?” De Vrije Fries 104 (2024): 74–87.
  • Jongbloed, Hein H. “Tussen ‘paltsverhaal’ en ‘IJssellinie’: Averarda ‘van Zutphen’ († 11 augustus [961]) en de geboorte van de graafschappen Zutphen en Gelre (1026–1046).” Bijdragen en Mededelingen Gelre 97 (2006): 57–130.
  • Jongbloed, Hein H. “Wanburtich: Heinrichs II. Beteiligung an der Wahl von Kamba (1024).” Deutsches Archiv für Erforschung des Mittelalters 62 (2006): 461–512.
  • Jongbloed, Hein H. “‘Cold case’ Upladen (oktober 1016): Godfrieds prefectuur tussen grote politiek en dynastieke competitie (850–1101).” Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 12 (2009): 7–80.
  • Jongbloed, Hein H. “Balderik ‘van Upladium’ (ca. 970 – 5 juni 1021): Karoling met een krasje in nu Gelderse contreien.” Bijdragen en Mededelingen Gelre 103 (2012): 9–58.
  • Ludwig, Uwe. “Die Verwandten des Grafen Wichmann von Hamaland: Bemerkungen zu zwei Memorialeinträgen im Reichenauer Liber vitae.” In Verortete Herrschaft: Königspfalzen, Adelsburgen und Herrschaftsbildung in Niederlothringen während des frühen und hohen Mittelalters, red. Jens Lieven, Bert Thissen en Ronald Wientjes, 233–251. Kalkar: Verlag für Regionalgeschichte, 2014.
  • Van der Tuuk, Luit. “Deense heersers in de Over-Betuwe: Machtsstrijd in het rivierengebied in de negende eeuw.” Bijdragen en Mededelingen Gelre 99 (2008): 7–32.
  • Van der Tuuk, Luit. “Gingen de Utrechtse bisschoppen Hunger, Odilbald en Radbod vanwege de Noormannen in ballingschap?” Jaarboek Oud-Utrecht 79 (2003): 33–66.
  • Van Winter, Johanna Maria. “Die Hamaländer Grafen als Angehörige der Reichsaristokratie im 10. Jahrhundert.” Rheinische Vierteljahrsblätter 44 (1980): 16–46.
  • Wenskus, Reinhard. Sächsischer Stammesadel und fränkischer Reichsadel. Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 1976.

Online bronnen

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende I op Tweeden Pinksterendach.