Graaf in het verwantennetwerk van Liudger
Wrachari Ψ, in de oorkonden ook gespeld als Uurachari of Wracharius, is de zoon van Brunhari Ψ. Hij is de eerste man uit de familie die de gravenrang draagt en geldt daarmee als de oudste aanwijsbare graaf van een geslacht dat de historiografie afwisselend aanduidt als Meginhardi of Brunharingen, naar zijn zoon respectievelijk zijn vader.
Zijn handelen speelt zich af in de IJsselstreek aan het einde van de achtste en het begin van de negende eeuw, in een tijd waarin de Saksische gebieden net zijn opgenomen in het Karolingische rijk en de missionaris Liudger langs de IJssel een netwerk van schenkers, getuigen en geloofsgenoten om zich heen verzamelt. Wrachari hoort tot dat netwerk.De schenking van 794 te Brummen
Op 9 oktober 794 laat Wrachari te Brummen een schenkingsoorkonde opmaken. Hij draagt allodiaal bezit — vrij eigen goed, niet als leen gehouden — te Wichmond over aan de missionaris Liudger. Zijn nog jonge zoon Meginhard (I) Ψ stemt met de transactie in, een gebruikelijke handeling die de toekomstige erfgenaam bindt aan de beschikking. De akte is gegeven in Brummen en wordt overgeleverd via een Werdense oorkonde. Wichmond ligt in deze tijd in de pagus Hisloa, een nederzettingsgebied dat zich uitstrekt langs de Oude IJssel en de IJssel-monding van de Berkel. Ook Oeken (vermeld in 796 en 799) en Doetinchem (in 838) horen tot diezelfde pagus.

In de oorkonde van 794 draagt Wrachari nog geen titel. Hij figureert als grondbezittend Saks of Frank — de bronnen laten zijn herkomst in het midden — die zijn allodium overdraagt aan een missionaris met wie de familie kennelijk al banden heeft. Brunhari, zijn kort tevoren overleden vader, wordt in de oorkonde alleen ter herkomstbepaling van het bezit genoemd; de schenking gaat over goederen die Wrachari van hem heeft geërfd.
Graaf tussen 794 en 800
Wanneer Liudger in 800 opnieuw een akker, waarop hij een kerk wil bouwen in Wichmond ontvangt, krijgt geschonken door Reginald, Folchard, Gerhard, Wifil, en Helmbert wordt de ligging van dat perceel beschreven als grenzend aan de akker die Liudger eerder van graaf Wrachari heeft gekregen. Aangenomen dat het om dezelfde persoon gaat, is Wrachari tussen 794 en 800 graaf geworden. In 804 wordt hij in een derde transactie opnieuw als belendend grondbezitter met gravenrang genoemd.
In welke regio Wrachari graaf is, vermelden de oorkonden niet. Zijn ambtsgebied blijft in de bronnen onbenoemd. De vaste gelijkstelling met een ‘graafschap IJsselgouw’ is op gespannen voet met het bronnenmateriaal. Hisloa is daarin namelijk uitsluitend een pagus, een samenhangend nederzettingsgebied, geen comitatus of ambtsgebied. Een pagus kan onderdeel zijn van een comitatus of er een samenstellend deel van vormen, maar de twee zijn niet hetzelfde. Dat Wrachari goederen heeft in een pagus betekent niet meteen dat hij daar ook graaf is.
De recentere historiografie, met name Jongbloed in 2006 en 2012, gaat er daarom van uit dat de titel ‘graaf van IJsselgouw’ op een onbewezen veronderstelling rust en dat het ambtsgebied van Wrachari simpelweg onbekend is. Wel wijst de latere ontwikkeling van het Hamalandse gravenhuis, waarvan Wrachari als oudste aanwijsbare schakel geldt, in de richting van een grafelijk gezag in het bredere gebied dat in de loop van de negende eeuw onder de naam Hamaland zal worden samengevat.
In hetzelfde Hisloa beweegt zich rond Wrachari nog een tweede grondbezittende familie. Een zekere Oodhelm schenkt in 797 goederen te Oeken aan Liudger; ook bij hem treedt Wichmond op de achtergrond. Wrachari en Oodhelm zijn in de pagus Hisloa kennelijk potentaten van gelijke rang zonder dat het bronnenmateriaal hen rechtstreeks aan elkaar koppelt.
Wrachari in het netwerk van Liudger
![De huidige Sint-Liudgerkerk te Wichmond, op de plek waar Liudger volgens de overlevering aanvankelijk zijn klooster had willen stichten. Foto: [Michiel Verbeek; Wikimedia Commons]; AI-gegenereerd).](https://www.graafschap-middeleeuwen.nl/wordpress/wp-content/uploads/2026/05/wichmond-kerk-VL-222x300.webp)
De Wichmondse schenking van 794 is niet de enige aanwijzing dat Wrachari in nauwe betrekking staat tot Liudger. Het netwerk dat zich rond de missionaris vormt, omvat in deze tijd een reeks personen langs de IJssel en op de Veluwe die elkaar bij schenkingen geregeld als getuigen ontmoeten. Jongbloed heeft in 2012 dat netwerk geanalyseerd en wijst op een aantal punten die Wrachari tot deelgenoot daarvan maken
In de Brummense oorkonde van 794 zijn twee van de getuigen Liudger gedoopt. Geen van beide is de missionaris zelf, want die zou niet pas als derde of zesde getuige worden vermeld. Eén van hen is vermoedelijk de Liudger zoon van wijlen Hredgaer, die in 793 een groot deel van zijn erfgoed tussen Enedseae en Berilsi en in het bos Zeewold of Swifterbant aan zijn missionerende naamgenoot heeft afgestaan, een transactie waarbij eveneens een Meginhard onder de getuigen verschijnt. Dezelfde Liudger Hredgaerszoon schenkt in 796 goederen te Bidningahem en Doornspijk en in 805 nogmaals goederen in de villa Thornspic. Bij latere Wichmondse transacties van 799, 800 en 801 duiken personen genaamd Liudger driemaal in de getuigenlijsten op, mogelijk telkens dezelfde Hredgaerszoon.
Daarbij komt nog een aanwijzing van een andere orde. Volgens Liudgers Vita, geschreven door zijn neef en opvolger Altfried van Münster Ψ, heeft de missionaris aanvankelijk overwogen om in Wichmond het klooster te stichten dat hij uiteindelijk in Werden aan de Ruhr zal inrichten. Dat Wichmond als eerste locatie in beeld is geweest, valt alleen te verklaren door de toezegging van een aanzienlijke grondschenker ter plaatse. Wrachari, met allodium in Wichmond en een zoon die meeschenkt, is voor die rol de aangewezen kandidaat.
Tezamen suggereren deze gegevens dat Wrachari deel uitmaakt van een ruimere verwantenkring rond Liudger, met belangen langs de IJssel en op de Veluwe. Hoe nauw die verwantschap precies is, valt uit de bronnen niet af te leiden; dat zij bestaat, is daarentegen moeilijk weg te denken. Datzelfde netwerk levert nog tot in het tweede kwart van de negende eeuw voogden van het klooster Werden — onder hen, in 841 en 847, een Meginhard, mogelijk een verwant of zelfs een naamgenoot van Wrachari’s zoon. Op datzelfde moment komt op de Veluwe een Liudger Hredgaerszoon weer in beeld, en in 950 figureert daar een graaf ‘Linger’, vermoedelijk een corruptie of mislezing voor Liuger, dat op zijn beurt slechts één letter van Liudger verwijderd is. De namenkring blijft generaties lang aanwijsbaar.
De naam Meginhard
Met Wrachari’s zoon Meginhard (I) doet in deze familie voor het eerst een naam zijn intrede die in de volgende eeuw uitgroeit tot leidnaam van het Hamalandse gravenhuis. Een eeuw later heten de vader, de broer én de oudste zoon van Everhard Saxo allen Meginhard, en in de tussenliggende decennia komt de naam in tenminste negen Werdense oorkonden voor, in de spellingen Meginhard, Meinhard en Meganhard. Twee daarvan betreffen goederen op de Veluwe. De personenkring rond deze Werdense Meginharden vertoont een set steeds terugkerende namen — Wolf, Gunthard, Helmbrat, Hrotsten, Theatrad, Hrodbert, Erpo en Athulin — die samen op een coherente Saksisch-Frankische adelsgroep wijzen.
De naam Meginhard zelf is een gangbare Oudsaksische tweeleden-naam, opgebouwd uit megin- (kracht, macht) en -hard (hard, sterk). Hij is in deze tijd ook in andere streken zichtbaar: in Beieren is rond 800 een abt van Tegernsee bekend, evenals een gelijknamige rechter, en omstreeks 856-887 ambteert daar een graaf Meginhard die in 883 zelfs als Pfalzgraaf wordt aangeduid. Van Winter heeft in 1980 op deze Beierse parallel gewezen, maar oordeelt zelf dat een gemeenschappelijke stamvader vóór het einde van de achtste eeuw niet aannemelijk te maken is. Dit spoor loopt bij gebrek aan gegevens dood.
Voor de Wichmondse Meginhard ligt een herkomst dichter bij huis meer voor de hand. Brunhari, zijn grootvader, en Wrachari, zijn vader, dragen tweeleden-namen waarin het element Megin- of -hard niet voorkomt. De introductie van de naam Meginhard valt dus tussen Wrachari en zijn zoon, en het is verleidelijk om Wrachari’s onbekende echtgenote als drager van de namentraditie te denken. Zekerheid biedt deze hypothese niet: alleen dat de naam in 794 nieuw is in dit geslacht en in de generaties daarna leidend wordt, is onomstreden. De keuze voor Meginhard kan even goed aansluiten bij een bredere Saksische gewoonte uit het Werdense personennetwerk waarin de familie zich beweegt.
Andere doodlopende sporen
Wenskus heeft in 1976 een poging gedaan om Wrachari’s familie aan te knopen bij een Robertijnse of Widonen-tak in de Wormsgouw, op grond van een naamkundige identificatie van Wrachari met een Racheri die daar in dezelfde tijd samen met een Nantheri zou hebben gehandeld.
De gedachte berust op de correcte aanname dat de W in Wrac- kan wegvallen tot Rac-, een variatie die het verbroederingsboek van de abdij Reichenau onder het lemma Rakhari opneemt. Vanuit dit Wormsgouwse vertrekpunt heeft Wenskus vervolgens de keten via Nantheri en zijn nazaten verder doorgetrokken naar de prefect van het Oostland Werner I, naar Engiltrut van de Sieghards, en uiteindelijk naar een graaf Wago, wiens naam hij als een verkorte vorm van Wracheri leest.
In een Corveise traditie van 824 verschijnt deze Wago samen met een Mainhard onder de getuigen, wat Wenskus als bijkomende aanwijzing aanvoerde. In Nederlandse literatuur heeft deze constructie weinig bijval gekregen. Het verband Wrachari-Racheri-Wago vergt een aaneenschakeling van naamkundige sprongen waarvan elk afzonderlijk verdedigbaar is maar het geheel niet draagt. Zoals Kasparov zei: “Een lange analyse is een foute analyse.” De Robertijnse Wormsgouwgraven Rupert II, Rupert III en Guntram bieden ook geen enkel ander aanknopingspunt. Het spoor moet als dood gelden.
Wrachari in de memorie van Essen en Borghorst
De naam Wrachari is in de gespelde vorm Wrakheri of Wracheri uitzonderlijk zeldzaam. Schlaug heeft er in 1962 slechts negen vermeldingen van bijeengezocht, alle uit de negende eeuw. Het verbroederingsboek van de abdij Reichenau kent onder het lemma wraki verwante vormen mét Uu-aanloop (Uuaracco, Uuarachio, Uuaracius), waarvan Uuarachio het dichtst bij Wracharius ligt. Geen ervan heeft een exacte overlap met de Wichmondse spelling. Des te opvallender is het dat het oudste missaal van het Essense nonnenstift de naam in haar volle Wr-vorm tweemaal opvoert.
Des te opvallender is het dat het oudste missaal van het Essense nonnenstift, dat ook necrologische aantekeningen bevat, de naam tweemaal opvoert. Lacomblet heeft in 1867 het handschrift uitgegeven; het is omstreeks 870 aangelegd, met voorbeden voor paus Hadrianus II en keizer Lodewijk II die beiden nog in leven worden geacht. Daarin staat in de oudste aanleg een Wrakheri vermeld in een opsomming van overledenen, en op een latere folio, bij toevoeging in het necrologium opgenomen, een Wracheri die op 1 juli wordt herdacht.
Het Essense stift is door Altfried bisschop van Hildesheim Ψ in 852 gesticht en in 874 voor het eerst beoorkond. Jongbloed heeft in een nog ongepubliceerde notitie uit 2007 opgemerkt dat Altfried in zijn oorkonde geen oplossing in zijn eigen diocees aanreikt, maar de congregatie van koorzusters op zijn eigengoed te Essen vestigt — een aanwijzing dat zij voorheen westelijker gevestigd is geweest. Bisschop Altfried van Hildesheim draagt bovendien dezelfde naam als de laatste bisschop van Münster uit de verwantenkring van Liudger, die de Vita Liudgeri heeft geschreven. Liudger zelf heeft in de Friese gewesten een reeks Deo famulantium congregationes opgericht, vrouwengemeenschappen die volgens Altfried van Münster nog in diens tijd bestonden.
Een van deze Liudger-congregaties zou tussen 849 en 874, vermoedelijk onder druk van Noormannenaanvallen, ontheemd zijn geraakt en door de Hildesheimer Altfried opnieuw in Essen kunnen zijn ondergebracht. De Wrakheri uit de oudste laag van het Essense missaal zou dan in een eerdere fase van die (nog niet) rondzwervende gemeenschap kunnen zijn opgeschreven, decennia voordat men in Essen neerstreek.
In die belichting laat zich met enige plausibiliteit denken dat de Wichmondse Wrachari en de Essense Wrakheri dezelfde persoon zijn. Zekerheid is daarover niet te krijgen. De Wracheri van 1 juli is bij latere toevoeging ingeschreven en zou of een tweede persoon kunnen zijn, of dezelfde Wrachari wiens gegevens pas later in de nieuwe aanleg zijn overgenomen.
Het Borghorster handschrift, gesticht in 962 vanuit Essen en dus met uit het moederklooster overgeschreven memorielijsten, vermeldt de naam op twee plaatsen. In het necrologium staat op 29 januari een Vuracheri ingeschreven; in het sacramentarium komt op 1 juli een Uuracheri voor in een commemoratief verband. Beide zijn opmerkelijk geschreven met een dubbele V- of U-voorletter, een grafische weergave van de zeldzame W-aanloop die Geuenich in zijn editie afzonderlijk heeft gesignaleerd. Of de twee vermeldingen op één persoon teruggaan of op twee verschillende personen met dezelfde zeldzame naam, valt uit het handschrift niet vast te stellen. Wat wel vaststaat: de naam Wracheri/Vuracheri/Uuracheri is in deze tijd zo schaars dat tenminste één van deze vermeldingen op de Wichmondse Wrachari moet teruggaan.

Wrachari’s sterfdatum en sterfjaar zijn onbekend. Een laatste mogelijke vermelding stamt uit 820, maar dat kan even goed een naamgenoot betreffen die zonder grafentitel verschijnt. Hij wordt opgevolgd door zijn zoon Meginhard (I), wiens naam in de eeuw die volgt zal uitgroeien tot leidnaam van het geslacht en wiens nakomelingen in de loop van de negende eeuw aan het Hamalandse gravenhuis hun definitieve gestalte zullen geven.
Bronnen
Primaire bronnen en edities
- Althoff, G. Das Necrolog von Borghorst. Edition und Untersuchung. Mit
einem Beitrag von Dieter Geuenich. Westfälische Gedenkbücher und
Nekrologien, Band I. Münster: Aschendorffsche Verlagsbuchhandlung, 1978. - Autenrieth, J. e.a. (eds.). Das Verbrüderungsbuch der Abtei Reichenau. MGH Libri memoriales et Necrologia, Nova series 1. Hannover, 1979.
- Blok, D.P. Een diplomatisch onderzoek van de oudste particuliere oorkonden van Werden. Assen, [1960].
- Diekamp, W. (ed.). Die Vitae sancti Liudgeri. Geschichtsquellen des Bistums Münster 4. Münster: Aschendorff, 1881.
- Eckhardt, K.A. (ed.). Traditiones Corbeienses. Studia Corbeiensia I–II. Aalen: Scientia Verlag, 1970.
- Lacomblet, T.J. (ed.). Archiv für die Geschichte des Niederrheins, Bd. VI/1. Köln, 1867.
- Sloet, L.A.J.W. baron (ed.). Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen tot op den slag van Woeringen, 5 juni 1288. ‘s-Gravenhage: Nijhoff, 1872–1876.
Literatuur
- Fruin, R. ‘Het graafschap Hamaland en de Brunharingen’. De Nederlandsche Leeuw 48 (1930), kol. 163–168.
- Jongbloed, H.H. Wrachari Essen. Niet-gepubliceerd werkstuk, 2007.
- Jongbloed, H.H. ‘Tussen “paltsverhaal” en “IJssellinie”: Averarda “van Zutphen” († 11 augustus [961]) en de geboorte van de graafschappen Zutphen en Gelre (1026–1046)’. Bijdragen en Mededelingen Gelre 97 (2006), 57–116.
- Jongbloed, H.H. ‘Balderik “van Upladium” (ca. 970 – 5 juni 1021): Karoling met een krasje in nu Gelderse contreien’. Bijdragen en Mededelingen Gelre 103 (2012), 7–80.
- Nonn, U. Pagus und Comitatus in Niederlothringen. Bonn: Ludwig Röhrscheid Verlag, 1983.
- Schlaug, W. Die altsächsischen Personennamen vor dem Jahre 1000. Lunder Germanistische Forschungen 34. Kopenhagen: Håkan Ohlssons Boktryckeri, 1962.
- Wenskus, R. Sächsischer Stammesadel und fränkischer Reichsadel. Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 1976.
- Winter, J.M. van. ‘Die Hamaländer Grafen als Angehörige der Reichsaristokratie im 10. Jahrhundert‘. Rheinische Vierteljahrsblätter 44 (1980), 16–46.
Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende I op Tweeden Pinksterendach.