Inleiding
Het zwaard is in oorsprong een houwwapen. Uit de vroeg-middeleeuwse zwaarden ontwikkelt zich in de elfde en twaalfde eeuw het brede ridderzwaard met tweesnijdende kling en lange fuller, waarmee een geoefende vechter een tegenstander door maliënkolder en gewatteerd onderkleed heen kan treffen. Een afzonderlijke ontwikkelingslijn vormt het slagzwaard, dat in de dertiende en veertiende eeuw als hoofdwapen van de zware ruiterij in zwang komt. Beide typen blijven houwwapens.
Onder druk van een nieuwe bewapening ontstaat aan het eind van de dertiende eeuw een tweede lijn. Het plaatpantser, dat zich in fasen ontwikkelt en aan het eind van de veertiende eeuw als volledig harnas op het slagveld verschijnt, maakt het houwen minder effectief. Een breed gehouwen zwaard glijdt langs de gladde plaat af. Wie tussen de platen door wil treffen, heeft een ander wapen nodig: een lange, smalle, taps toelopende kling met een stijve doorsnede, gemaakt om te stoten. Dat is het stootzwaard. In de internationale typologie van Ewart Oakeshott vallen deze wapens onder de Types XV, XVa, XVI, XVIa en XVII, ruwweg in chronologische volgorde.
Hieronder volgen achtereenvolgens de vroege stootzwaarden, het bastaardzwaard als anderhalfhandsvariant, en het laatveertiende-eeuwse boorzwaard. Tot slot een korte plaatsing in een Oost-Nederlandse context.
Van houwwapen naar steekwapen
Het oudste type stootzwaard verschijnt aan het eind van de dertiende eeuw, op het moment dat de bewapening verandert. De maliënkolder wordt versterkt met losse plaatonderdelen op schouders, ellebogen en knieën; in de loop van de veertiende eeuw groeit dat versterkte maliënpak uit tot een gedeeltelijk plaatpantser, en rond 1400 tot een volledig harnas waarbij elk lichaamsdeel door een geschulpt plaatwerk wordt beschermd.


Het brede houwzwaard tegen plaatpantser inzetten heeft weinig zin. De slag stuit op de hardgewalste oppervlakte en glijdt af. Een wapen waarmee tussen de platen door, in de spleten van het harnas of door de zwakkere kettingmaliën onder de oksels kan worden gestoken, is doeltreffender. Zo ontstaat de smalle taps toelopende kling met diamantvormige of hexagonale doorsnede, die als een stijve naald in plaats van als een bijl in de aanval gaat.
Met de overgang van het houwen naar het steken verandert ook de hantering. Bij een houwzwaard zit het zwaartepunt verder van de hand af, voor de kracht van de slag. Bij een stootzwaard ligt het zwaartepunt dicht bij de pareerstang, voor punt-controle en richtingsverandering. De pareerstang wordt langer, twintig tot vijfentwintig centimeter, en de knop zwaarder, vaak peervormig of in de vorm van een geschulpte schijf, om de balans te herstellen. De fuller, de in de lengte lopende gleuf van het slagzwaard, verdwijnt bij de smalle types of wordt teruggebracht tot het bovenste derde deel van de kling; de stijfheid die nodig is om een stoot op te vangen vergt een massieve doorsnede.

De vroegste stootzwaarden, Oakeshotts Type XV en de smallere variant XVa, komen in gebruik vanaf ongeveer 1270 en blijven in de veertiende en vijftiende eeuw populair. De kling is tussen de tachtig en negentig centimeter lang en heeft een rechte taps toelopende vorm met een scherpe punt. Het Type XV kent een eenhandige greep; het Type XVa heeft een langere greep en is een van de eerste vormen waarin het zwaard met één én twee handen kan worden gevoerd.
Het bastaardzwaard
Tussen het eenhandig zwaard en de zware tweehander staat het bastaardzwaard, in oudere Nederlandse literatuur ook anderhalfhandszwaard genoemd. De Engelse aanduiding hand-and-a-half sword en het Duitse Anderthalbhänder drukken hetzelfde uit: het wapen kan met één hand worden gevoerd, in combinatie met schild of teugel, en laat zich met beide handen hanteren wanneer dat nodig is. Vandaar de bastaardstatus — een wapen dat niet helemaal het een en niet helemaal het ander is.
Het bastaardzwaard verschijnt in de tweede helft van de dertiende eeuw en wordt in de veertiende en vijftiende eeuw het standaardwapen van de ridder die zijn tegenstander zowel te paard als te voet wil bestrijden. Oakeshott rekent het meestal tot Type XVa, soms tot het verwante XVIa. De kling is rond de negentig tot honderd centimeter lang, smal en taps toelopend met een diamantvormige doorsnede. De greep heeft een lengte van vijftien tot tweeëntwintig centimeter, voldoende voor twee handen, en eindigt in een paranootvormige of geschulpte schijfknop. Het gewicht blijft, ondanks de extra lengte, beheersbaar; een Type XVa weegt doorgaans tussen anderhalf en twee kilogram.

In de zwaardvechtkunst die in dezelfde periode opkomt, ligt de nadruk niet op kracht maar op behendigheid. Alleen wie tijd heeft om te oefenen, krijgt het wapen onder de knie. Het zwaard is daarmee al lang geen wapen meer dat een ongeoefende strijder met voldoende kracht kan voeren; het hoort bij de ridder, de stedelijke patriciër en de huurling die zijn vak verstaat. Het bastaardzwaard groeit zo uit tot symbool van de heersende stand, en wie het op een grafzerk of zegel afgebeeld ziet, mag aannemen dat de afgebeelde tot die stand behoorde.
De productie van bastaardzwaarden concentreert zich in dezelfde Rijnlandse en Zuid-Duitse werkplaatsen die ook het slagzwaard verzorgen: Keulen, Solingen en Passau. Vanuit die centra reizen de wapens langs de Rijn en de IJssel naar de afzetmarkten in de Lage Landen en verder noordwaarts.
Het boorzwaard
Aan het eind van de veertiende eeuw verschijnt een tweede generatie stootzwaarden, ontworpen voor het inmiddels volledige plaatpantser. Het boorzwaard, in Oakeshotts typologie aangeduid als Type XVII, heeft een lange, slanke, sterk taps toelopende kling met een hexagonale doorsnede en een lange greep voor tweehandig gebruik. Met een gewicht dat kan oplopen tot tweeënhalve kilogram is het wapen aanzienlijk zwaarder dan zijn voorgangers, niet voor de slagkracht maar voor de doorslagkracht: door zijn massa kan het door een zwak punt in het harnas worden gedreven, of via een gewrichtsspleet de drager treffen.

De peervormige knop met in de lengte lopende ribben is voor dit type karakteristiek. De ribben zorgen dat het wapen ook bij vochtige hand niet wegglijdt, en de zware knop fungeert als tegenwicht voor de lange kling. De fuller is veelal teruggebracht tot een ondiepe gleuf in het bovenste kwart van de kling, of geheel afwezig; de hexagonale doorsnede levert de stijfheid die de stoot vergt.
Het boorzwaard blijft in gebruik tot in de jaren twintig van de vijftiende eeuw, waarna het wordt verdrongen door nóg slankere stoottypes en uiteindelijk door de estoc of stootdegen, een wapen zonder snijkant waarmee alleen kan worden geprikt. Daarmee schuift het zwaard verder op in de richting van wat in de zestiende eeuw de rapier zal worden. De middeleeuwse fase van het stootzwaard eindigt rond 1450.
Stootzwaarden in Oost-Nederland

Archeologische vondsten van stootzwaarden uit Oost-Nederland zijn schaars. De grote IJsselvondsten — het Karolingische Ulfberht-zwaard uit de Maas bij Lith, de Type XIIIa-tweehander uit Olst-Wijhe, het zwaard met inscriptie uit kasteel Voorst, de pommel uit Ane — behoren tot de vroeg-middeleeuwse zwaarden en de slagzwaarden. Wat het beeld van stootzwaarden in de regio kleurt, zijn vooral iconografische bronnen: zegels, grafzerken en wapenboeken.
Een treffend voorbeeld is het zegel van Reinald II van Gelre Ψ. Op een charter waarin hij in 1339 als pas verheven hertog de stad Zutphen tolvrijheid te Lobith en kwijtschelding van boetes toestaat, laat hij zich afbeelden als strijdbare ruiter met het zwaard in de rechterhand. Het zegel meet bijna tien centimeter in doorsnede en is van uitzonderlijke kwaliteit. Het is het moment waarop het stootzwaard van het Type XV-XVI als hoofdwapen van de hoge adel in opkomst is.
De productie- en handelsverbindingen verklaren hoe deze wapens in Oost-Nederland terechtkomen. De smeden van Keulen, Solingen en Passau leveren voor een Europese markt; via de Rijn en de IJssel reizen hun wapens met de Hanzehandelaren naar Deventer, Zutphen en Kampen, en van daaruit het achterland in. De Oost-Nederlandse ridderelite — de bannerheren van de Graafschap Zutphen, de adel van het Oversticht, de hoge geestelijke vazallen van de bisschop van Utrecht in Twente en Salland — behoort tot die afzetmarkt. Wapens uit grafkapellen en stedelijke wapenkamers in deze regio zijn slechts beperkt overgeleverd, en de typologische identificatie wordt bovendien bemoeilijkt doordat zegels en grafzerken hun afbeelding al snel stileren tot een generiek symbool van macht.
Voor wie naar het wapen zelf zoekt en niet alleen naar zijn afbeelding, is de Rijksmuseum-collectie in Leiden het dichtstbijzijnde verzamelpunt. Een aanzienlijk deel van de daar bewaarde stootzwaarden uit Type XV en Type XVII komt uit Nederlandse rivieren en grachten, al kunnen ze maar zelden aan een specifiek slagveld of een specifieke regio worden toegeschreven.
Bronnen
Primaire bronnen
- Oxford, Bodleian Library, MS. Bodl. 264 (Romance of Alexander), Doornik, atelier van Jehan de Grise, 1338-1344. Geraadpleegd 15 mei 2026.
Literatuur
- Amkreutz, Luc, en Annemarieke Willemsen (red.). Vlijmscherp verleden. Het zwaard als wapen en symbool. Leiden: Rijksmuseum van Oudheden, 2016.
- Keen, Maurice (red.). Medieval Warfare: A History. Oxford: Oxford University Press, 1999.
- Oakeshott, Ewart. Records of the Medieval Sword. Woodbridge: Boydell, 1991.
- Oakeshott, Ewart. The Sword in the Age of Chivalry. London: Arms and Armour, 1981 (oorspronkelijk Lutterworth, 1964).
Online bronnen
- Erfgoedcentrum Zutphen. “Het zegel van Reinald II”. erfgoedcentrumzutphen.nl/ontdekken/ontdek/erfgoed-van-de-week/265-het-zegel-van-reinald-ii. Geraadpleegd 15 mei 2026.
Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende I des Sonnedages nae sunte Johannes van het Kruis dach, dat was op ten zesde ende tienden dach der maent van Decembri.