Zoeken

Brunhari (7xx-794)

Stamvader van de Meginhardi

Bekend in pagus IJsselgouw

Brunhari Ψ is de oudst bekende vertegenwoordiger van het geslacht dat in de loop van de achtste eeuw als gravenfamilie in oostelijk Nederland naar voren treedt. De familie is later het Hamalandse gravenhuis gaan heten, maar in haar vroegste generaties bedient zij nog geen samenhangend graafschap met die naam. Althans dat is niet in de bronnen overgeleverd.

Brunhari zelf komt slechts eenmaal in de bronnen voor, en wel als reeds overleden voorvader: op 9 oktober 794 maakt zijn zoon Wrachari Ψ te Brummen een schenkingsoorkonde op ten gunste van de missionaris Liudger, en noemt zich daarin filius quondam Brunhari, zoon van wijlen Brunhari. Hieruit volgt dat Brunhari uiterlijk in 794 is overleden. Een geboortedatum is bij benadering te schatten op het tweede kwart van de achtste eeuw, omdat zijn zoon in 794 zelfstandig over allodiaal goed kan beschikken en zelf reeds een volwassen zoon Meginhard Ψ heeft die met de schenking instemt.

Reconstructie van de pagus Hisloa omstreeks 800, waar de bekende schenkingen aan Liudger (Wichmond 794 en 800, Oeken 797) passeerden (AI-gegenereerd).
Reconstructie van de pagus Hisloa omstreeks 800, waar de bekende schenkingen aan Liudger (Wichmond 794 en 800, Oeken 797) passeerden (AI-gegenereerd).

De oorkonde plaatst de familie in de pagus Hisloae, de IJsselgouw, en wel rond Wichmond aan de oostoever van de IJssel. Brummen, waar de oorkonde wordt opgemaakt, ligt op de westoever en mag op grond van het bezit ter plaatse en de latere positie van het geslacht aldaar gelden als mogelijke familieresidentie van die tijd. Een graventitel draagt Brunhari in de bron niet; hij heet eenvoudig de vader van Wrachari. Of hij ooit comes is geweest, kan uit deze enige vermelding niet worden afgeleid. Zijn zoon Wrachari verschijnt in 794 evenmin met de graventitel; pas in 800 wordt Wrachari als comes genoemd.

In oudere literatuur, met name bij Fruin (1930), heet het geslacht naar Brunhari de ‘Brunharingen’. Die naamgeving is inmiddels verlaten ten gunste van ‘Meginhardi’ of ‘Meginhardingen’, een keuze die door Jongbloed (2012) wordt verantwoord met twee waarnemingen. Ten eerste raakt de mannelijke stam na Meginhard I vermoedelijk onderbroken, wat de Brunhari-stamboomvorm afzwakt. Ten tweede is Meginhard veruit de meest voorkomende naam in deze familie. In drie opvolgende generaties van het 9e- en 10e-eeuwse Hamalandse gravenhuis dragen zowel een vader, een broer als een oudste zoon van Eberhard Saxo (vermoord in 898) deze leidnaam, en in 841 en 847 verschijnt een Meginhard als voogd van het door Liudger gestichte klooster Werden — een verschijning die Jongbloed plausibel met dezelfde verwantenkring verbindt. Hoe deze familie zichzelf noemt, is uiteraard onbekend. Dergelijke benaamde familieverbanden betreffen vrijwel allemaal latere constructies van historici, om discussie onder vakgenoten te vergemakkelijken.

De familie in haar tijd

De Karolingische heerschappij in dit gebied is in 794 nog jong. Karel I ‘de Grote’ Ψ heeft de Saksische gebieden tussen Rijn en Wezer in een reeks oorlogen vanaf 772 onder Frankisch gezag gebracht, die pas in 804 wordt voltooid. De IJssel vormt in deze decennia de waarschijnlijke grens tussen Frankisch en Saksisch gebied: Brummen ligt aan de Frankische westoever, Wichmond aan de Saksische oostoever. In zulke grensregio’s pleegt Karel I lokale grootgrondbezitters in het Karolingische bestuur op te nemen door hun een grafelijke ambtsbevoegdheid (comitatus) toe te kennen. Of Brunhari een lokale potentaat is geweest die door Karel I in dit verband is opgenomen, laat zich uit de enkele bronvermelding niet bepalen. De omstandigheid dat Wrachari in 794 zelfstandig en als allodiaal bezitter kan schenken, en in 800 grafelijk gezag draagt, wijst op een familie die in het lokale Karolingische bestuur is geïntegreerd.

Een tweede aanwijzing voor de positie van de familie is haar nauwe band met Liudger. De schenking van 794 vindt plaats te Brummen in een netwerk van schenkers met overlappende getuigenkringen: in 793 schenkt een Liudger zoon van Hredgaer aan zijn missionerende naamgenoot bezit in Swifterbant, in 796 doet diezelfde Liudger Hredgaerszoon nog een schenking, in 797 schenkt een zekere Oodhelm goed te Oeken (eveneens in Hisloa) en in 800 schenkt een groep van vijf mannen een akker te Wichmond, opdat Liudger er een kerk kan bouwen. Wrachari verschijnt in die laatste oorkonde als belendend grondbezitter en draagt dan voor het eerst de graventitel. Tussen deze schenkers komen meerdere malen dezelfde namen terug — Meginhard, Liudger, Wolf, Helmbert — wat Jongbloed (2012) aanleiding heeft gegeven Wrachari en daarmee Brunhari in de bredere verwantschapskring rond Liudger te plaatsen. Het feit dat een Meginhard kort na 840 als Werdense voogd optreedt, sluit daarbij aan: Werden is Liudgers stichting, en Wichmond was naar het zich laat aanzien Liudgers oorspronkelijke vestigingsplaats vóór de uitwijking naar de Ruhr.

De IJssel vanwaar Wrachari in 794 te Wichmond aan Liudger schonk. In de tijd van Brunhari vormt de rivier de werkbare grens tussen Frankisch en Saksisch gebied (dia auteur 1998; AI-bewerkt).
De IJssel vanwaar Wrachari in 794 te Wichmond aan Liudger schonk. In de tijd van Brunhari vormt de rivier de werkbare grens tussen Frankisch en Saksisch gebied (dia auteur 1998; AI-bewerkt).

Vermeende Elzasser herkomst

In 1985 heeft Riedel voorgesteld Brunhari te identificeren met Ruthard, hertog van Elzas en telg uit het hertogelijke geslacht der Etichonen, waarbij Wrachari dan met Everhard zou samenvallen. De gelijkstelling ‘Brunhari = Ruthard’ en ‘Wrachari = Everhard’ is onhoudbaar, zoals uitvoerig is beschreven aan de hand van het Reichenauer verbroederingsboek. De spellingen rond ‘Brun’ tonen alleen klankvarianten van die naam zelf en raken nergens aan ‘Rut’; de gelijkstelling ‘Ever’ = ‘Wrac’ veronderstelt klankverschuivingen die in de naamkundige analyse van Schlaug (1962) niet voorkomen. Een hertogelijk-Elzasser afstamming voor de oudste Meginhardi is daarmee uitgesloten.
Wenskus (1976) heeft geprobeerd Wrachari te identificeren met een Racheri in de Wormsgouw; ook dat spoor loopt dood. Voor Brunhari zelf zijn er geen aanwijzingen die naar Frankisch zuiden wijzen.

Een terugverwijzing naar Oudsaksisch adel ligt naamkundig meer voor de hand. Schlaug (1962) heeft Brun- en Wrac-varianten in Saksische namenkringen vastgesteld, en de naam Meginhard waaraan zijn kleinzoon zijn beroemde leidnaam ontleent, is bij uitstek een Oudsaksische of Frankisch-Saksische naamvorm (megin- + -hard). Concrete verwantschap met een bekend Saksisch geslacht — zoals later in de 10e eeuw via Eberhard Saxo zal blijken — laat zich voor Brunhari evenwel nog niet aanwijzen. De familie verschijnt zonder voorgeslacht ten tonele.

Brunhari als beginpunt

Brunhari staat aan het hoofd van een familielijn die het oostelijke Nederlandse middeleeuwse landschap drie eeuwen lang gaat dragen. Uit zijn kleinzoon Meginhard I groeit het gravenhuis dat in de 9e en 10e eeuw graafschappen in Hamaland, op de Veluwe, in Salland en Drenthe bedient, alsook in de noordelijke kustgouwen Hunsingo en Fivelgo. Of Brunhari ooit comes is geweest blijft een open vraag; dat hij de vader is van de eerste vaststelbare graaf in dit gebied, staat zonder meer vast, want zijn zoon Wrachari volgt hem op.

Literatuur

Primaire bronnen

Literatuur

  • Blok, Dirk Peter. 1960. Een diplomatisch onderzoek van de oudste particuliere oorkonden van Werden. Assen: Van Gorcum. Met name nr. 4.
  • Fruin, Robert. 1930. “Het Graafschap Hamaland en de Brunharingen.” De Nederlandsche Leeuw 48 (6): 163–168.
  • Jongbloed, Hein H. 2006. “Tussen ‘paltsverhaal’ en ‘IJssellinie’: Averarda ‘van Zutphen’ († 11 augustus [961]) en de geboorte van de graafschappen Zutphen en Gelre (1026–1046).” Bijdragen en Mededelingen Gelre 97: 7–88.
  • Jongbloed, Hein H. 2009. “‘Cold case’ Upladen (oktober 1016): Godfrieds prefectuur tussen grote politiek en dynastieke competitie (850–1101).” Jaarboek voor middeleeuwse geschiedenis 12: 11–82.
  • Jongbloed, Hein H. 2012. “Balderik ‘van Upladium’ (ca. 970 – 5 juni 1021): Karoling met een krasje in nu Gelderse contreien.” Bijdragen en Mededelingen Gelre 103: 7–60.
  • Nonn, Ulrich. 1983. Pagus und Comitatus in Niederlothringen: Untersuchungen zur politischen Raumgliederung im früheren Mittelalter. Bonn: Ludwig Röhrscheid.
  • Schlaug, Wilhelm. 1962. Die altsächsischen Personennamen vor dem Jahre 1000. Lunder Germanistische Forschungen 34. Kopenhagen: Håkan Ohlssons Boktryckeri.
  • Van Winter, Johanna Maria. 1980. “Die Hamaländer Grafen als Angehörige der Reichsaristokratie im 10. Jahrhundert.” Rheinische Vierteljahrsblätter 44: 16–46.
  • Van Winter, Johanna Maria. 2001. “Het (palts)graafschap Zutphen en het Hamalandse gravenhuis.” Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre 92: 51–80.
  • Wenskus, Reinhard. 1976. Sächsischer Stammesadel und fränkischer Reichsadel. Abhandlungen der Akademie der Wissenschaften in Göttingen, Phil.-Hist. Klasse, dritte Folge 93. Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht.

 

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende I op Tweeden Pinksterendach.