Zoeken

Oorlogvoering in de middeleeuwen

Inleiding

Bij oorlogvoering in de middeleeuwen denkt men vaak aan een chaotische botsing van mensen en paarden. Dat beeld is hardnekkig, maar onjuist.
Middeleeuws kampement naar reconstructie Hendrik Pahl. (AI-gegenereerd)
Middeleeuws kampement naar reconstructie Hendrik Pahl. (AI-gegenereerd)
Modern militair-historisch onderzoek toont aan dat middeleeuwse oorlogvoering wordt gedragen door vaste structuren, sociale hiërarchie en doordachte keuzes. Oorlog is geen ontsporing van orde, maar een instrument binnen een politiek-economisch systeem waarin macht, bezit en loyaliteit samenkomen. De wijze waarop strijd wordt gevoerd hangt samen met leenverhoudingen, logistieke mogelijkheden en de beperkte beschikbaarheid van manschappen. Bevoorrading, marsafstanden en de verzorging van paarden vormen structurele randvoorwaarden die het tempo en de duur van campagnes bepalen. De Belgische militair historicus J.F. Verbruggen heeft in zijn standaardwerk over de middeleeuwse krijgskunst laten zien dat aanvoerders over een repertoire aan beproefde tactieken beschikken en dat hun beslissingen worden gestuurd door ervaring, terreinkennis en berekening. Dat beeld is sindsdien bevestigd en verder uitgewerkt door jongere generaties onderzoekers. Dit artikel beschrijft de algemene kenmerken van middeleeuwse oorlogvoering en plaatst die vervolgens in de context van Oost-Nederland: het graafschap (later hertogdom) Gelre, het Oversticht (Salland, Twente, Vollenhove), en het Landschap Drenthe.

Samenstelling van het leger

Een middeleeuws leger bestaat zelden uitsluitend uit ridders. Hoewel verhalende bronnen vooral de namen van ridders benadrukken, is die focus vooral literair en sociaal gemotiveerd. Administratieve en archeologische gegevens tonen dat het voetvolk structureel en numeriek dominant is. Het voetvolk vervult meer taken dan alleen ondersteunend werk. Lansiers, piekeniers, zwaardvechters en vooral boogschutters en kruisboogschutters maken integraal deel uit van de gevechtskracht. Hun inzet is geen noodoplossing, maar een bewuste keuze binnen de beschikbare middelen. De arrière-ban, de plicht van vrije mannen om krijgsdienst te verrichten, vormt een belangrijk rekruteringsmechanisme. De uitwerking en effectiviteit van deze verplichting verschilt echter sterk per regio. De uitrusting van vrije mannen is vaak verrassend uniform: allen dragen een ijzeren helm en een lans, met voor de rijkere man een maliënkolder en voor de armere man een leren schort of gambeson (een gewatteerd beschermend kledingstuk). Die uniformiteit wijst op lokale regulering en collectieve bewapeningsnormen. In de latere middeleeuwen nemen stedelijke milities een steeds belangrijkere plaats in. Zij beschikken over financiële slagkracht, training en organisatie, waardoor hun militaire betekenis toeneemt. In Zutphen, de hoofdstad van het gelijknamige kwartier van Gelre, is de stedelijke militaire organisatie betrekkelijk goed gedocumenteerd. Poorters zijn verplicht tot wacht- en verdedigingsdienst, de stad beschikt over eigen wapenvoorraden, en bij veldtochten levert Zutphen een contingent dat onder eigen banier optrekt. Vergelijkbare verplichtingen gelden voor andere Gelderse steden als Doesburg, Lochem en Arnhem, en in het Oversticht voor Deventer, Kampen en Zwolle — al verschillen de details per stad en per periode.
Gevechtsscène met boogschutters en ruiters, Tapijt van Bayeux, ca. 1070–1080. (Bron: Officiële digitale weergave van het Bayeux Tapijt – XIe eeuw. Credits: City of Bayeux, DRAC Normandy, Universiteit van Caen Normandië, CNRS, Ensicaen, Clichés: 2017 – The Heritage Factory in Normandy)
Gevechtsscène met boogschutters en ruiters, Tapijt van Bayeux, ca. 1070–1080. (Bron: Officiële digitale weergave van het Bayeux Tapijt – XIe eeuw. Credits: City of Bayeux, DRAC Normandy, Universiteit van Caen Normandië, CNRS, Ensicaen, Clichés: 2017 – The Heritage Factory in Normandy)

De rol van de ridder in de slag

De ridder vormt de kern van het middeleeuwse leger. Zijn rol vraagt echter om nuancering. Waar oudere geschiedschrijving de ridder zag als vrijwel autonoom beslissende factor, benadrukt modern onderzoek de afhankelijkheid van ondersteunende troepen en de context van het slagveld. De slag wordt niet uitsluitend beslist door individuele moed. Samenhang, timing en bescherming van kwetsbare elementen zijn doorslaggevend. Te voet verliest de ridder een deel van zijn mobiliteit, maar dat betekent niet automatisch dat hij weerloos is. De effectiviteit van gepantserde infanterie in specifieke omstandigheden wordt steeds serieuzer genomen. Het voetvolk blijft echter onmisbaar voor het afschermen van flanken, het vasthouden van terrein en het neutraliseren van vijandelijke infanterie. Het paard blijft het kwetsbaarste onderdeel van de ridderlijke oorlogsvoering. De ontwikkeling van paardenharnassen en tactieken ter bescherming van de ruiterij past binnen een bredere trend van aanpassing aan veranderende dreigingen, vooral door wapens die op afstand worden ingezet, zoals bogen en kruisbogen. In Oost-Nederland, waar de ridderschap kleiner in aantal is dan in dichtbevolkte gewesten als Holland of Brabant, weegt het verlies van een enkel strijdros des te zwaarder.

Riddereenheden

Oorkonden maken melding van conrois, kleine eenheden ridders die samen worden onderhouden door één heer. Meerdere conrois vormen een grotere eenheid onder leiding van een banneret (een ridder van hogere rang die een eigen banier voert), herkenbaar aan zijn banier. Verschillende banneretten samen vormen een slagorde, de grootste tactische eenheid van het middeleeuwse leger. Reeds aan het einde van de elfde eeuw staat de slagkracht van dergelijke riddergroepen wijd en zijd bekend. Hun waarde ligt niet alleen in hun fysieke kracht, maar ook in hun samenhang, onderlinge loyaliteit en ervaring.

Tucht

Het ontbreken van formele militaire tucht is lang gezien als een zwakte van middeleeuwse legers. Recente literatuur nuanceert dit beeld. Hoewel centrale discipline ontbreekt, functioneert het leger op basis van sociale controle, eer, reputatie en wederzijdse afhankelijkheid. Bevelen worden niet afgedwongen door strafrecht, maar door het risico op gezichtsverlies en het verbreken van leenbanden. Deze vorm van informele orde blijkt in de praktijk vaak voldoende om gezamenlijke actie mogelijk te maken. De afwezigheid van een permanent opperbevel betekent niet dat middeleeuwse legers ongeorganiseerd zijn, maar dat hun organisatie fundamenteel verschilt van die van latere staande legers.

Speciale eenheden

Vanaf de elfde eeuw differentieert de bewapening zich sterker. Men onderscheidt zware en lichte ruiterij, boogschutters te voet, piekeniers en zwaardvechters. In theorie kunnen deze eenheden afzonderlijk worden ingezet of gegroepeerd rond de ridders.
Kruisboogschutters in gevecht tijdens de Slag bij Crécy (1346), verluchte miniatuur uit de kroniek van Jean Froissart laat 14e eeuw. Bron: Wikimedia Commons)
Kruisboogschutters in gevecht tijdens de Slag bij Crécy (1346), verluchte miniatuur uit de kroniek van Jean Froissart laat 14e eeuw. Bron: Wikimedia Commons)
Geen enkele eenheid kan een frontale ridderaanval langdurig weerstaan. Lichte ruiterij is kansloos; infanterie heeft alleen succes bij uitzonderlijke discipline en samenwerking. Boogschutters moeten de ridders zeer dicht laten naderen om dodelijk effect te bereiken. Met pieken, hellebaarden of bijlen kan men trachten het paard te doden en de ridder te voet te dwingen, waar zijn harnas hem eerder belemmert dan beschermt. Sommige specialisten genieten groot aanzien. De ingeniatores, bouwers van belegeringswerktuigen, worden al in de tiende eeuw met name genoemd in bronnen. Ook goed getrainde kruisboogschutters vormen een gewaardeerd en gevreesd onderdeel van het leger.

Huurlingen

In de veertiende eeuw verschijnen op grote schaal huurlingen, in de bronnen vaak aangeduid als routiers. Zij zijn afkomstig uit dichtbevolkte stedelijke regio’s zoals Vlaanderen, Brabant, Noord-Italië en Zuid-Frankrijk. Buiten vaste sociale structuren trekken zij in bendes door Europa en vechten voor de hoogste bieder. Moderne onderzoekers plaatsen deze groepen in het bredere kader van militaire arbeid en toenemende professionalisering van oorlogvoering. Wanneer hun soldij uitblijft, leven zij van plundering. In 1171 besluiten Friedrich I ‘Barbarossa’ Ψ en Lodewijk VII van Frankrijk Ψ om dergelijke huurlingen uit hun legers te weren en hun aanwezigheid in grote delen van het Rijk te verbieden. Toch blijven zij onmisbaar in langdurige conflicten. Hun leiders kunnen grote macht verwerven, zoals Mercadier, die legerleider wordt van Richard ‘Leeuwenhart’ Ψ.

De kracht van het leger

Middeleeuwse bronnen overdrijven vaak het aantal strijders en slachtoffers. Tienduizenden deelnemers aan een slag worden zonder aarzeling genoemd. Administratieve gegevens uit de latere middeleeuwen geven een realistischer beeld, al blijven ook daar vijandelijke aantallen opgeblazen. De hoge kosten beperken het aantal ridders; het voetvolk wordt begrensd door de noodzaak om landbouwarbeid voort te zetten. Grote koninklijke legers bestaan zelden uit meer dan tienduizend man. Voor regionale heren, zoals de graaf van Gelre, is een strijdmacht van enkele honderden mannen al aanzienlijk. Pas in de latere hertogelijke periode kunnen aantallen van enkele duizenden worden bereikt.

Slachtoffers

Onder ridders blijven de verliezen doorgaans beperkt. De wapenrusting biedt effectieve bescherming en gevangenneming is lucratiever dan doden. Arabische bronnen na de Slag bij Hattin (1187) merken op dat gevangen ridders nauwelijks verwond zijn, terwijl hun paarden zwaar toegetakeld zijn. Kroniekschrijver Ordericus Vitalis vermeldt dat bij de Slag bij Brémule slechts drie van de negenhonderd ridders sneuvelen, terwijl vele anderen gevangen worden genomen. Losgeld vormt een belangrijke economische factor. Onder het voetvolk vallen de verliezen zwaarder, al zijn massale afslachtingen eerder uitzondering dan regel. De Slag bij Ane (1227) vormt op beide punten een opvallend tegenvoorbeeld: meer dan vierhonderd man sneuvelen aan bisschoppelijke zijde, onder wie de bisschop zelf, en gevangenneming en losgeld spelen nauwelijks een rol.

Tactiek in de strijd

Veldslag tussen Franse en Engelse troepen bij Poitiers (1356), verluchte miniatuur uit de kroniek van Jean Froissart laat 14e eeuw. (Bron: Wikimedia Commons)
Veldslag tussen Franse en Engelse troepen bij Poitiers (1356), verluchte miniatuur uit de kroniek van Jean Froissart laat 14e eeuw. (Bron: Wikimedia Commons)
Moderne militaire geschiedschrijving heeft het beeld van tactische onbekwaamheid definitief verlaten. Middeleeuwse aanvoerders beschikken over praktische ervaring, kennis van terrein en een repertoire aan beproefde formaties. Slagordes met vleugels en reserves zijn geen uitzonderingen, maar behoren tot het standaardarsenaal van grotere legers. Archeologisch onderzoek naar slagvelden en kastelen bevestigt dat deze tactische keuzes ook materieel herkenbaar zijn. Boogschutters en kruisboogschutters vervullen een belangrijke rol in het openen en sturen van het gevecht. Hun inzet is gericht op ontregeling, niet op onmiddellijke vernietiging. Infanterie vangt hindernissen op en beschermt de ruiterij, terwijl de ridderlijke aanval wordt ingezet op een moment dat de vijand al is verzwakt. Veldslagen blijven zeldzaam, niet uit onbekwaamheid, maar uit berekening. Belegeringen en economische oorlogsvoering leveren vaak meer op tegen lagere risico’s. Het kasteel fungeert als strategisch knooppunt en bepaalt in hoge mate het verloop van conflicten.

Belegeringen, bestanden en rooftochten

Een belegering

Trebuchet naar een foto auteur (AI-gegenereerd).
Trebuchet naar een foto auteur (AI-gegenereerd).
Een belegering vergt tijd en geld. Kastelen zijn sterk, met hoge muren, torens en grachten. Uithongering, ziekte en watergebrek breken meestal het verzet. Zowel aanvallers als verdedigers beschikken over werpmachines en diverse middelen om elkaar te beschadigen.

Een bestand

Tijdens campagnes worden regelmatig bestanden gesloten. Belegeringen kunnen worden onderbroken en hervat. Deze pragmatische aanpak voorkomt uitputting en beperkt verliezen.

De rooftocht

De rooftocht is het effectiefste wapen. Door het platteland te verwoesten tast men de economische basis van de vijand aan. De opbrengst van het land gaat verloren, financiële reserves raken uitgeput, en een heer die de aanval niet vergeldt verliest zijn gezicht — waardoor zijn leenmannen vermoedelijk gaan twijfelen aan zijn beschermende waarde. In een gebied met beperkte middelen, zoals Oost-Nederland, is deze vorm van oorlogvoering van groot belang.

Vete en conflictbemiddeling

Naast grootschalige campagnes kent de middeleeuwen de vete: een gereguleerd conflict tussen families of heren, waarbij geweld wordt ingezet om recht te verkrijgen of eer te herstellen. De vete is geen wetteloosheid, maar volgt eigen regels van escalatie, vergelding en bemiddeling. Pas wanneer bemiddeling door derden — verwanten, buren, of de landsheer — tot een verzoening leidt, wordt de vete formeel beëindigd. In het Oversticht en Drenthe, waar het landsheerlijk gezag zwakker is dan in Gelre, speelt de vete een grotere rol als instrument van conflictbeslechting. De bisschop van Utrecht kan in zijn verafgelegen gebieden niet altijd optreden als arbiter, waardoor lokale heren en gemeenschappen vaker op eigen middelen zijn aangewezen. De grens tussen vete en oorlog is daarbij vloeiend: wat begint als een geschil tussen twee heren over een leengoed of een grensgebied, kan uitgroeien tot een conflict waarbij de landsheer gedwongen wordt partij te kiezen.

Oorlogvoering in Oost-Nederland

In Oost-Nederland krijgt middeleeuwse oorlogvoering een eigen karakter. Versnipperde machtsverhoudingen en beperkte economische draagkracht bepalen het kader. De graaf van Gelre, lokale heren en kerkelijke machthebbers zoals de bisschop van Utrecht beschikken doorgaans over bescheiden strijdkrachten. Grootschalige veldslagen zijn uitzonderlijk; conflicten spelen zich vooral af rond kastelen, grensgebieden en strategische routes langs IJssel, Rijn, Vecht en Berkel.

Gelre

De samenstelling van Gelderse legers sluit aan bij het regionale profiel. Het aantal ridders is beperkt, terwijl het aandeel voetvolk relatief groot is. Stedelijke milities uit plaatsen als Zutphen, Doesburg en later Arnhem worden regelmatig ingezet, zowel ter verdediging als bij offensieve operaties. Hun rol bevestigt het belang van stedelijke organisatie en financiële middelen in de regionale krijgsvoering. Kenmerkend is het frequente gebruik van rooftochten en kortdurende campagnes. Door het verwoesten van akkers, hoeven en dorpen wordt druk uitgeoefend zonder de kosten en risico’s van langdurige belegeringen. Kastelen fungeren als machtsankers, maar slechts zelden wordt geprobeerd ze met geweld te nemen. Onderhandelingen, tijdelijke bestanden en economische uitputting bepalen het tempo van de strijd. De Gelderse Successieoorlog (1371–1379) laat zien hoe een regionaal conflict bovenlokale dimensies kan krijgen. Bij deze strijd om de opvolging in Gelre zijn niet alleen lokale heren betrokken, maar ook de hertog van Kleef, de graaf van Blois en uiteindelijk de hertog van Gulik. Het conflict toont de dichte verwevenheid van dynastieke netwerken, territoriale grenzen en militaire druk die kenmerkend is voor oorlogvoering in het westen van het Heilige Roomse Rijk.

Het Oversticht

In het Oversticht is de bisschop van Utrecht landsheer, maar zijn greep op het gebied is zwak. De afstand tussen Utrecht en de Overijsselse en Drentse gebieden bedraagt meerdere dagreizen. De bisschop komt doorgaans slechts eenmaal per jaar naar het Oversticht om er rondtrekkend recht te spreken. De dagelijkse bestuurlijke en militaire verantwoordelijkheid berust bij plaatselijke functionarissen: de prefecten van Groningen en Coevorden, en de banierdrager, die het bisschoppelijke leger aanvoert.

Het bisschoppelijke leger

Het bisschoppelijke leger heeft een eigen karakter. De bisschop is landsheer maar zelden zelf veldheer. De militaire leiding berust bij de banierdrager, een ambt dat in het Oversticht in handen is van de heren van Goor. Het leger steunt deels op ministerialen (onvrije dienstlieden die bestuurlijke en militaire taken vervullen) en deels op de leenplicht van de ridderschap. De afstand tussen Utrecht en het Oversticht maakt snelle mobilisatie lastig en dwingt tot vertrouwen op lokale commandostructuren. De Landbrief van Twente, waarvan de oudste versie vermoedelijk uit het midden van de veertiende eeuw stamt, geeft een concreet beeld van deze verhoudingen: wanneer de bisschop militaire hulp nodig heeft, is hij verplicht naar de Markeloseberg te komen en daar mannen en dienstmannen zijn nood te verkondigen, waarna zij hem moeten helpen tegen zijn vijanden.

Het kastelenlandschap

Het bisschoppelijke gezag steunt niet alleen op mensen, maar ook op steen. Recent onderzoek van Spiekhout naar het kastelenlandschap van het Oversticht laat zien dat de bisschop tussen 1050 en 1450 een netwerk van ten minste 134 burchten, adellijke huizen en versterkingen tot zijn beschikking heeft. Deze kastelen vervullen niet alleen een militaire functie, maar dienen ook als bestuurscentra en als zichtbare tekens van landsheerlijke aanwezigheid in een gebied waar de bisschop zelf zelden komt.

Lokale machtsgrepen

Die afstand en het gedelegeerde gezag maken het Oversticht kwetsbaar voor lokale machtsgrepen. Erfelijke prefecten en burggraven trekken steeds meer macht naar zich toe, wat herhaaldelijk leidt tot gewapende conflicten met de bisschop. De Slag bij Ane (1227) is hiervan het meest dramatische voorbeeld.

Stedelijke milities

De Overstichtse steden Deventer, Kampen en Zwolle beschikken elk over eigen stedelijke milities en worden bij conflicten regelmatig betrokken. In 1456 bieden de Overstichtse Hanzesteden gezamenlijk weerstand tegen de door de Bourgondiërs voorgedragen bisschopskandidaat, waarna Filips de Goede met een leger vanuit Utrecht naar Deventer optrekt en de stad na een kort beleg tot overgave dwingt — een voorbeeld van de bovenlokale reikwijdte die regionale conflicten kunnen krijgen.

Drenthe

Na de Slag bij Ane groeit Drenthe in de praktijk uit tot een grotendeels autonoom gebied. Het bisschoppelijke gezag herstelt zich slechts gedeeltelijk. De Drentse boerenlegers hebben bij Ane laten zien dat terreinkennis, lichte bewapening en lokale mobilisatie een zwaar geruste ridderlijke krijgsmacht kunnen verslaan — mits de omstandigheden gunstig zijn. Drenthe wijkt in militair opzicht af van zowel Gelre als het Oversticht. Het Landschap kent geen ommuurde steden en geen kastelennetwerk van betekenis. Waar in het Oversticht bisschoppelijke burchten en adellijke huizen het landschap markeren, ontbreken deze structuren in Drenthe vrijwel geheel. Oorlogvoering speelt zich hier niet af rond kastelen en stadsmuren, maar in een landschap van moerassen, heidevelden en verspreide nederzettingen. De verdediging berust op de mobilisatie van vrije boeren, gecoördineerd door de etten (rechters die namens de Drentse gemeenschap optreden). Deze wijze van oorlogvoering — lichtbewapend, gebaseerd op terreinkennis en snelle terugtrekking — maakt conventionele belegeringen zinloos en dwingt elke aanvaller tot een veldslag op ongunstig terrein. De Drentse eigenheid als militair-politieke factor blijft eeuwenlang merkbaar. Pas met de toetreding tot de Republiek in 1588 komt er een einde aan de bijzondere bestuurlijke positie van het Landschap.

De latere middeleeuwen: professionalisering

In de vijftiende en zestiende eeuw verandert het karakter van oorlogvoering in Oost-Nederland ingrijpend. De Gelderse Oorlogen (1502–1543) brengen een schaalvergroting die de regio niet eerder heeft gekend. Hertog Karel van Gelre Ψ zet huurlingenlegers in die ver buiten de eigen grenzen opereren. Gelderse veldmaarschalk Maarten van Rossum voert met deze troepen rooftochten uit die tot in Holland en Brabant reiken. Aan Habsburgse zijde opereert Georg Schenck van Toutenburg met vergelijkbare legers in Friesland en het Oversticht. In het Oversticht wisselen steden als Zwolle en Hasselt herhaaldelijk van partij, belegerd door de ene en bezet door de andere zijde. De traditionele combinatie van ridderlijke krijgsdienst, stedelijke milities en incidentele boerenmobilisatie maakt geleidelijk plaats voor een model waarin professionele huurlingen, vuurwapens en bovenlokale financiering de toon zetten. De grens tussen ridderlijke krijgsdienst en professioneel huurlingendom vervaagt steeds verder. De uitkomst van deze conflicten wordt mede bepaald door de financiële middelen waarover de strijdende partijen beschikken — een patroon dat de opname van Gelre en het Oversticht in het Habsburgse Rijk in 1543 onvermijdelijk maakt.

Een ander beeld

Het huidige onderzoek schetst middeleeuwse oorlogvoering als een doordacht en aanpasbaar systeem. Militair handelen is ingebed in economische draagkracht, sociale netwerken en politieke doelstellingen. Ridders en edelen opereren niet impulsief, maar maken bewuste keuzes binnen bekende beperkingen. De oorlog in de middeleeuwen is geen primitieve voorfase van moderne krijgskunst, maar een eigenstandig militair model. De combinatie van ridderlijke elite, gespecialiseerd voetvolk, economische drukmiddelen en belegeringstactiek vormt een samenhangend geheel. Binnen dit kader bestaat een impliciete oorlogscode, waarin eer, losgeld en onderlinge afspraken het geweld normeren en begrenzen — nauw verweven met rechtspraak, vete en conflictbemiddeling. In Oost-Nederland, waar de schaal kleiner is en de afstanden korter, zijn deze patronen bij uitstek herkenbaar: de rooftocht als drukmiddel, het kasteel als machtsbasis, de stedelijke militie als onmisbare aanvulling op de ridderlijke kern, en de voortdurende wisselwerking tussen lokale heren, landsheer en boerenlegers.

Bronnen

Primaire bronnen en edities

  • Quedam Narracio de Groninghe, de Trentis, de Covordia et de diversis aliis sub episcopis Traiectensibus (ca. 1232). Editie en vertaling in: H. Bruch (ed.), Kroniek van het Sticht Utrecht en van Holland, 866–1232, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, ‘s-Gravenhage, 1950.

Literatuur

  • Boffa, S., Warfare in Medieval Brabant, 1356–1406, Boydell, Woodbridge, 2004.
  • De Graaf, R.P., Oorlog om Holland 1000–1375, Verloren, Hilversum, 1996. Herdruk 2004.
  • Gimberg, J., ‘Het krijgswezen eener Geldersche stad in de middeleeuwen (Zutphen)’, in: Bijdragen en Mededeelingen. Gelre, Vereeniging tot Beoefening van Geldersche Geschiedenis, Oudheidkunde en Recht 8 (1905), 1–90. Online via DBNL.
  • Keen, M., Chivalry, Yale University Press, New Haven/London, 1984.
  • Keen, M. (ed.), Medieval Warfare: A History, Oxford University Press, Oxford, 1999.
  • Maris, A.J., Van voogdij tot maarschalkambt. Bijdrage tot de geschiedenis der Utrechts-bisschoppelijke staatsinstellingen, voornamelijk in het Nedersticht, De Vroede, Utrecht, 1954.
  • Noordzij, A., Gelre. Dynastie, land en identiteit in de late middeleeuwen, Verloren, Hilversum, 2009.
  • Noordzij, A., ‘Personal agency, borders and political units in the fourteenth century. The duchy of Guelders and the history of international relations’, in: Tijdschrift voor Geschiedenis 127:4 (2014), 579–602. DOI.
  • Reynolds, S., Fiefs and Vassals: The Medieval Evidence Reinterpreted, Oxford University Press, Oxford, 1994.
  • Spiekhout, D., Het middeleeuwse kastelenlandschap van het Oversticht. De ontwikkeling van landsheerlijke burchten, adellijke huizen en versterkingen in relatie tot het landschap en de samenleving in Noordoost-Nederland tussen 1050 en 1450, dissertatie Rijksuniversiteit Groningen, Matrijs, Utrecht, 2020.
  • Verbruggen, J.F., De krijgskunst in West-Europa in de Middeleeuwen, IXe tot begin XIVe eeuw, Koninklijke Vlaamse Academie, Brussel, 1954. Engelse vertaling: The Art of Warfare in Western Europe during the Middle Ages, from the Eighth Century to 1340, Boydell, Woodbridge, 1997 (2e herziene druk).
Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MCM ende XCIX des Manendages nae Heilige Gregorius de Grote dach, dat was op ten zesden dach der maent van Septembris.