Byrnie, hauberk, gambeson, wapenrok en kuras
Inleiding
De maliënkolder is geen middeleeuwse uitvinding. De Romeinen kennen het pantser van in elkaar gehaakte ijzeren ringetjes al als ‘lorica hamata’, en wanneer de Romeinse macht in het westen verbleekt, raken deze hemden niet in onbruik. Maliën komen de gehele middeleeuwen door voor.
Over de bewapening van Karel I ‘de Grote’ Ψ bestaat een beroemde passage. Notker Balbulus, een monnik van Sankt Gallen, beschrijft in zijn ‘Gesta Karoli Magni’ hoe de Longobardische koning Desiderius Ψ vanaf een toren in Pavia de nadering van het Frankische leger gadeslaat:
‘Toen verscheen de ijzeren koning, gekroond met een ijzeren helm, met mouwen van ijzeren maliën aan zijn armen, zijn brede borst bedekt door een ijzeren byrnie, een lans met ijzeren punt in zijn linkerhand en zijn rechterhand vrij om zijn onoverwinnelijk zwaard te grijpen. Zijn dijen waren beschermd met ijzeren maliën, hoewel andere mannen gewend zijn deze onbeschermd te laten om gemakkelijker op hun paard te kunnen springen.’
De passage is vaak aangehaald als beschrijving van de uitrusting van een Frankisch vorst in 773. Dat is zij niet. Notker schrijft omstreeks 885, ruim een eeuw na de belegering van Pavia, en hij was geen tijdgenoot. Zijn ‘Gesta’ ontleent evenveel aan volksverhalen en mondelinge overlevering als aan geschreven bronnen. Hij schreef om zijn toehoorders te vermaken en om een keizer neer te zetten die het navertellen waard was. De uitrusting die hij opsomt, is aanzienlijk weelderiger dan wat andere bronnen uit Karels eigen tijd noemen, en zou voor de overgrote meerderheid van de Frankische krijgers volstrekt onbetaalbaar zijn geweest.
Juist daarom is de passage bruikbaar. Zij zegt weinig over wat Karel in 773 aanhad en veel over wat ijzer omstreeks 885 betekende. Een koning die van top tot teen in metaal is gehuld, is een koning die zich metaal kan veroorloven. Notker beschrijft geen uitrusting maar een machtsvertoon, en zijn publiek begreep dat.
Het woord ‘maliën’ is verwant aan het Franse ‘mailles’, het Engelse ‘mail’ en het Italiaanse ‘maglia’, en gaat terug op het Latijnse ‘macula’, dat ‘maas’ of ‘net’ betekent.
De byrnie: één zaak, vele namen
Oudere overzichtswerken beschrijven de byrnie als een voorganger van de maliënkolder: een leren hemd waarop hoornen of metalen schubben dakpansgewijs zijn genaaid. Die voorstelling houdt geen stand. ‘Byrnie’ is niet de naam van een ander soort pantser, maar het Germaanse woord voor hetzelfde pantser. Het Oudengelse ‘byrne’, het Oudnoorse ‘brynja’, het Oudhoogduitse ‘brunnia’ en het Gotische ‘brunjo’ betekenen alle ‘maliënhemd’. In Latijnse teksten uit de Karolingische tijd verschijnt het woord als ‘brunia’, naast het klassieke ‘lorica’. Beide termen worden door elkaar gebruikt en nergens tegenover elkaar gesteld, wat erop wijst dat zij hetzelfde aanduiden.

Het schubbenpantser bestaat wel degelijk, maar het is een aparte en veel zeldzamere zaak. Karolingische handschriften beelden het af, en negentiende-eeuwse geleerden hebben daaruit afgeleid dat Frankische krijgers het droegen. Nader onderzoek van diezelfde afbeeldingen wijst een andere kant op: het schubbenpantser in Frankische miniaturen lijkt sterk op wat gelijktijdige Byzantijnse handschriften laten zien, en de tekenaars kopieerden hier vermoedelijk een beeldtraditie in plaats van de werkelijkheid om hen heen. Waar zij wél naar het leven werkten, bij helmen, schilden, zwaarden en lansen, zijn de vormen herkenbaar Frankisch en archeologisch bevestigd. Bij het schubbenpantser ontbreekt die bevestiging. De aanname dat de Vikingen in de tiende eeuw geschubde byrnies droegen, berust op dezelfde misvatting en kan vervallen.
In de elfde eeuw raakt de benaming hauberk in zwang, verwant aan het ‘halsberga’, de ‘halsbeschermer’. Pas in de dertiende eeuw komt in de Nederlanden ‘maliënkolder’ op. Die term is nauwkeuriger: maliën zijn de ringetjes, en een kolder is een mouwloos wambuis dat tot de knieën reikt. In Duitsland spreekt men van een ‘Ringpanzerhemd’. De namen wisselen, het voorwerp blijft hetzelfde.
Twaalf solidi!
De vraag wie een maliënkolder droeg, is nauwkeuriger te beantwoorden dan de vraag hoe hij werd gemaakt. De ‘Lex Ribuaria’, het rechtsboek van de Rijnfranken, stelt vaste waarden vast voor uitrustingsstukken. Een helm kost zes solidi. Een byrnie kost twaalf. Een schild en een lans samen kosten twee.
De verhouding is onmiddellijk duidelijk. Een maliënkolder kost zesmaal wat een schild met lans kost, en tweemaal wat een helm kost. Wie te voet vecht met schild en speer, draagt uitrusting ter waarde van twee solidi. Wie een maliënkolder aantrekt, draagt een vermogen. De opsomming in de wet is geen prijslijst maar een rangorde, en die rangorde is er een van macht.
De capitularia van Karel I bevestigen dat. Wie van de koning goederen ter grootte van twaalf ‘mansi’ of meer in gebruik heeft (een ‘mansus’ is de hoeveelheid land waarvan één boerengezin kan leven), is verplicht een ‘brunia’ te bezitten. Wie zulk pantser bezit en het niet meebrengt op veldtocht, verliest zowel het pantser als het goed waaraan de verplichting hing. De maliënkolder is daarmee geen keuze maar een ambtsteken: hij hoort bij een bepaalde plaats in de rangorde, en die plaats vervalt wanneer de verplichting niet wordt nagekomen.
Testamenten laten zien hoe schaars het bezit blijft. Graaf Eccard van Mâcon vermaakt in zijn testament één enkele ‘brunia’. Everhard van Friuli Ψ laat er vier na. Dat zijn twee van de rijkste mannen van hun tijd, en het gaat om aantallen die op één hand te tellen zijn. Van de gewone ruiterij en het voetvolk werd bezit van lichaamspantser dan ook niet verwacht. Kerken en kloosters hielden voorraden aan waaruit zij hun krijgslieden konden uitrusten, hetgeen aangeeft dat de individuele krijgsman het meestal niet zelf kon opbrengen.
De strategische waarde van pantser blijkt uit de moeite die men doet om het binnen de grenzen te houden. De Karolingische vorsten verbieden bij herhaling de uitvoer van ‘bruniae’. Dat zulke verboden nodig waren, zegt genoeg: de bronnen laten doorschemeren dat Vikingen aan Frankisch pantser kwamen langs de weg van gewetenloze Franken die het hun verkochten. Een uitvoerverbod dat telkens opnieuw moet worden afgekondigd, is een uitvoerverbod dat niet werkt. Het bewijst tegelijk hoe gewild de waar was, en dat de opbrengst van de overtreding lucratief genoeg is om de wet te overtreden.
Uit onze streken is één vroege prijs bewaard. Een oorkonde van 850, opgenomen in het oorkondenboek van de graafschappen Gelre en Zutphen, waardeert een schild met lans op vijf solidi, ruim het dubbele van wat de ‘Lex Ribuaria’ een halve eeuw eerder noteerde. Wapentuig werd niet goedkoper.
Gambeson en wapenrok
Een maliënkolder vangt de snede op maar niet de klap. De ringen breken de haal van een zwaard, doch de kracht van de slag komt onverminderd op het lichaam terecht. Daarom wordt onder de maliën een gewatteerd jak gedragen, gevuld met wol, werk of afvallappen en met dichte rijen stiksel doorgestikt. Dat kledingstuk heet een gambeson.
De benamingen lopen door elkaar. ‘Gambeson’, ‘aketon’, ‘pourpoint’ en ‘jupon’ duiden alle op gewatteerde kleding, maar zij zijn geen synoniemen die willekeurig verwisseld kunnen worden: recent onderzoek wijst uit dat de termen in verschillende tijden en streken verschillende dingen aanduiden, en dat er onderscheid bestaat tussen wat ónder het metaal wordt gedragen en wat op zichzelf staat als pantser. Een gambeson kan een dun onderkleed zijn, bedoeld om de maliën te dragen en de klap te dempen. Hij kan ook een zwaar, tot dertig lagen linnen dik kledingstuk zijn dat op zichzelf beschermt.
Dat laatste is de kern van de zaak. Voor de voetknecht is de gambeson doorgaans het enige pantser dat hij bezit. Hij vecht in doorgestikt linnen omdat ijzer buiten zijn bereik ligt. Het verschil tussen de ruiter en de man te voet is niet in de eerste plaats een verschil in moed of vaardigheid, maar een verschil in wat men zich kan veroorloven.
Boven op de maliënkolder verschijnt vanaf het midden van de twaalfde eeuw een linnen bovenkleed: de wapenrok. Ouder werk noemt dit kledingstuk wel een pourpoint, doch dat berust op een verwisseling. Een pourpoint is een gewatteerd kledingstuk, verwant aan de gambeson. De wapenrok is iets anders: een los, veelal mouwloos gewaad dat over het metaal valt en beschilderd is met de wapens, kentekens en spreuken van de drager.

De reden voor dat gewaad is niet bescherming. Naarmate de helm het gezicht meer bedekt en het pantser de gestalte meer verhult, wordt de drager onherkenbaar. De wapenrok herstelt die herkenbaarheid, en dat is geen ijdelheid. Wie herkend wordt, kan gespaard worden en tegen losgeld worden vrijgekocht in plaats van doodgeslagen. Wie herkend wordt, kan zijn aandeel opeisen in wat er te verdelen valt. Wie herkend wordt, kan zijn mannen leiden, omdat zij weten waar hij staat. Aan verhulling doen deze lieden dan ook niet. Zichtbaarheid is bezit. De wapenrok is de reden dat het geheel van erfelijke kentekens tot op de dag van vandaag een ‘wapenschild’ heet.
Waarom het zo duur was

Van de vervaardiging is m inder bekend dan men zou wensen, maar genoeg om te begrijpen waar de kosten vandaan komen.
Een maliënkolder bestaat uit vele duizenden ringetjes. Aanvankelijk worden die uit gehamerde strookjes ijzer gemaakt, later uit getrokken draad van gelijkmatige dikte. De draad wordt om een staaf gewikkeld, de spiraal wordt doorgeknipt, en elk ringetje wordt afzonderlijk platgeslagen, doorboord en met een klinknageltje gesloten.
Iedere ring grijpt in vier andere; op plaatsen die zwaarder belast worden, in zes. Door plaatselijk ringen toe te voegen of weg te laten, geeft de smid het hemd een vorm die het lichaam volgt.

Daar zit de prijs. Niet in het ijzer, maar in de handen. Een maliënkolder is maandenwerk, en het is werk dat niet kan worden versneld. Elk ringetje vraagt dezelfde handelingen als het vorige, duizenden malen achtereen. Meestal werkt daarom een groep smeden samen, met hulpkrachten die niets anders doen dan ringetjes maken. In de veertiende eeuw gaat men er toe over ook ringetjes te gebruiken die uit een plaat zijn gestanst; die hebben geen naad en dus geen zwakke plek. Uit het oosten komt bovendien het gebruik om verschillende ringmaten te combineren: zware ringen op de kwetsbare plaatsen, lichte op de rest. Zulke hemden zijn lichter en beter op het klimaat berekend, iets waarover de kruisvaarders konden meepraten.
Van maliën naar plaat
De maliënkolder weert de haal, maar tegen een spitse punt met kracht erachter schiet hij tekort. Vanaf de twaalfde eeuw wordt hij daarom versterkt met platen. De eerste versterkingen zijn van in was gekookt leer, het zogenoemde ‘cuir bouilli’, dat na die behandeling zeer hard is. Al spoedig gebruikt men ijzer, en uiteindelijk uitsluitend ijzer. Over de maliënkolder en onder de wapenrok komt een mouwloos vest, de ‘cuirie’, ter bescherming van borst en rug. Daaruit ontwikkelt zich de ijzeren ‘cuirace’, bij ons kuras.
De gangbare voorstelling is dat plaat de maliën verdringt omdat plaat beter beschermt. Dat is niet onwaar, maar het is niet de hele verklaring, en waarschijnlijk niet de belangrijkste. De doorslaggevende oorzaak is de prijs.
Zolang arbeid goedkoop is, is een maliënkolder een verstandige manier om ijzer om het lichaam te krijgen. Het materiaal is bescheiden, het werk is eindeloos, maar werk kost weinig. Dat verandert in de veertiende eeuw. De pest maakt handen schaars en dus duur, terwijl tegelijk waterkracht en zwaardere ovens het mogelijk maken plaatijzer in grotere hoeveelheden en tegen lagere kosten te slaan. De ene manier van maken wordt goedkoper, de andere duurder.
De uitkomst is verrassend. In Iserlohn kost in de vijftiende eeuw een maliënhemd 4,59 gulden, terwijl een plaatharnas 4,33 gulden kost. De maliën zijn dan duurder dan het plaat. En over de lange lijn gemeten is de omslag nog scherper: waar een negende-eeuwse uitrusting van helm, maliën en beenbescherming ongeveer twaalf ossen kost, kost het plaatharnas van een ruiter aan het eind van de zestiende eeuw er nog twee.
De maliënkolder verdwijnt dus niet omdat hij niet meer voldoet. Hij verdwijnt omdat hij te duur wordt om te máken. De sterfte die de arbeidsmarkt verwoestte, heeft daarmee bepaald hoe de ridder van de late middeleeuwen eruitziet.
De smid en de scheidslijn

De groeiende belangstelling voor plaatwerk brengt een nieuw ambacht voort. Ter onderscheiding van de gewone smid heet deze de ‘platemekere’ of ‘plate-sleger’, later eenvoudig ‘Plattner’. Aanvankelijk versplintert het vak: aan het begin van de veertiende eeuw treft men helmsmeden, knie- en elleboogplaters, handschoensmeden en maliënkoldersmeden naast elkaar. In de loop van diezelfde eeuw loopt die verscheidenheid terug. De Plattner blijft over en vervaardigt alle ijzeren onderdelen. Hij ontwerpt de scharnierende delen en de schouder- en okselbescherming, en smeedt het borststuk uit één gewelfde plaat. Zo ontstaat langzamerhand het harnas.
Dat harnas is niet voor iedereen. Naarmate de bescherming zwaarder wordt, wordt zij tegelijk uitsluitender. De voetknecht heeft er niets aan: het gewicht zou hem in de strijd meer hinderen dan baten. Voor hem blijft de maliënkolder het bruikbaarste kledingstuk, en vaker nog de gambeson alleen. Wat begon als een verschil in vermogen, wordt zo een verschil in verschijning. Op het slagveld is van verre te zien wie tot welke stand behoort.
In Oost-Nederland vertaalt zich dat in verschillende patronen. In Gelre, en in het kwartier van Zutphen in het bijzonder, vormen de ministerialen (onvrije dienstlieden die bestuurlijke en militaire taken vervullen) de kern van de gewapende macht rond de graaf. Zij zijn juridisch onvrij, maar bekleden posities van aanzienlijk gezag, en van hen wordt verwacht dat zij gewapend te paard verschijnen. Wie zo’n verplichting draagt, moet ook de middelen hebben om haar na te komen, en de heer die de dienst opeist, heeft er belang bij zijn dienstman uit te rusten. In het Oversticht doet de bisschop van Utrecht als wereldlijk heer hetzelfde.
In Drenthe ligt het anders. Daar ontbreekt een landsheer die een net van dienstlieden opbouwt. De samenleving is er sterker georganiseerd rond vrije boeren en de etten, de gezworenen die in de dingspelen recht spreken. Een ridderschap in de zin van een afgebakende stand van zwaarbewapende ruiters met kastelen ontstaat er pas laat en in bescheiden omvang. Wie geen heer heeft die hem uitrust, komt niet aan een maliënkolder. Ook dat is een uitspraak over macht, en niet de minst welsprekende.
Bronnen
Primaire bronnen en edities
- Capitularia regum Francorum. Deel 1. Uitgegeven door Alfred Boretius. Monumenta Germaniae Historica, Leges. Hannover: Hahn, 1883.
- Lex Ribuaria. Uitgegeven door Franz Beyerle en Rudolf Buchner. Monumenta Germaniae Historica, Leges nationum Germanicarum 3.2. Hannover: Hahn, 1954.
- Notker Balbulus. Gesta Karoli Magni Imperatoris. Uitgegeven door Hans F. Haefele. Monumenta Germaniae Historica, Scriptores rerum Germanicarum, nova series 12. Berlijn: Weidmann, 1959.
- Sloet, L.A.J.W., red. Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen, tot op den slag van Woeringen, 5 juni 1288. Den Haag: Nijhoff, 1872–1876.
Literatuur
- Bennett, Stephen. 2023. “Under or Over (or Both)? Textile Armour and the Warrior in the High Middle Ages.” Arms & Armour 20 (1): 35–53.
- Coupland, Simon. 1990. “Carolingian Arms and Armor in the Ninth Century.” Viator 21: 29–50.
- Keen, Maurice, red. 1999. Medieval Warfare: A History. Oxford: Oxford University Press.
- Oakeshott, R. Ewart. 1960. The Archaeology of Weapons: Arms and Armour from Prehistory to the Age of Chivalry. Londen: Lutterworth Press.
- Prestwich, Michael. 1996. Armies and Warfare in the Middle Ages: The English Experience. New Haven: Yale University Press.
- Spiekhout, Diana. 2020. Het middeleeuwse kastelenlandschap van het Oversticht. Proefschrift, Rijksuniversiteit Groningen.
- Wijnhoven, Martijn A. 2022. European Mail Armour: Ringed Battle Shirts from the Iron Age, Roman Period and Early Middle Ages. Amsterdam Archaeological Studies 29. Amsterdam: Amsterdam University Press.
- Williams, Alan. 2003. The Knight and the Blast Furnace: A History of the Metallurgy of Armour in the Middle Ages and the Early Modern Period. Leiden: Brill.
- Winter, Johanna Maria van. 1962. Ministerialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen. Proefschrift, Universiteit Utrecht. Groningen: J.B. Wolters.
Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MCM ende XCIX des Vrydages nae Heilige Casimir dach, dat was op ten vijfden dach der maent van Marcii.