Het Grote Interregnum
Het Heilige Roomse Rijk kent na de val van de Hohenstaufen een periode van structureel machtsvacuüm. Van 1246 tot 1273 — het zogenaamde Grote Interregnum (letterlijk: ’tussenregering’) — wordt geen enkele Rooms-Koning als keizer erkend. De rivaliserende aanspraken op de troon, de verdeeldheid onder de keurvorsten, en de afwezigheid van daadkrachtig centraal gezag werken in het voordeel van regionale machthebbers. In heel het Rijk trekken territoriale vorsten, bisschoppen, en steden de macht naar zich toe die de kroon laat liggen. Oost-Nederland vormt daarop geen uitzondering.
Willem II van Holland Ψ, 1246-1256
Een stroman gezocht
De politiek van tegenkandidaten voor de keizerstroon bevalt paus Innocentius IV wel. Na de afzetting van Frederik II Ψ in 1245 en de dood van tegenkoning Hendrik Raspe Ψ in 1247 zoeken de pausgezinde keurvorsten een nieuwe kandidaat — bij voorkeur iemand die voldoende ambitie heeft om de kroon te aanvaarden, maar onvoldoende macht om lastig te worden. De hertog van Brabant bedankt voor de eer. Otto II van Gelre Ψ, de tweede keus, is een verstandig man en wijst het aanbod eveneens van de hand. Hij ziet in dat het koningschap in deze omstandigheden meer zorgen dan voordelen oplevert. De pauselijke afgezanten worden doorverwezen naar zijn jonge neef: graaf Willem II van Holland.
Willem II is de derde keus. Dat hij wel wil, pleit meer voor zijn moed dan voor zijn verstand. Hij wordt door de aartsbisschoppen van Mainz, Keulen en Trier en de bisschoppen van Bremen, Luik en Utrecht gekozen tot Rooms-Koning. Geen enkele keurvorst is bij de verkiezing aanwezig. Alleen de hertog van Brabant verschijnt als wereldlijke vorst. De graaf van Gelre, de graaf van Lohn en de hertog van Limburg willen hun steun wel betuigen, maar niet zonder rijkelijke betaling. Steun heeft in het dertiende-eeuwse Rijk een prijskaartje.
Het beleg van Aken

Voor zijn kroning in Aken moet Willem II eerst de stad veroveren, want Aken houdt vast aan de Hohenstaufische zaak. De Geldersen helpen van mei tot oktober 1248 met het beleg. Zij dammen een riviertje af en de halve stad komt onder water te staan — een methode die aan pragmatisme niets te wensen overlaat. In oktober 1248 wordt Willem II officieel tot Rooms-Koning gekroond in de oude paltskapel van Karel I ‘de Grote’ Ψ.
Otto II van Gelre is niet alleen bondgenoot, hij is ook bankier. Hij leent Willem II een enorm bedrag — de bronnen spreken van 10.000 mark zilver — en ontvangt op 8 oktober 1247 rijksstad Nijmegen met het Rijk van Nijmegen als onderpand. De som zal nooit worden terugbetaald. De graven van Gelre zijn voorgoed heer van stad en burcht Nijmegen, alle daaronder vallende leen- en dienstmannen inbegrepen. Vijf dagen later weet Otto II van Willem II gedaan te krijgen dat bij ontstentenis van zonen ook dochters mogen erven. Het Interregnum is voor Otto II een periode van ongekende winst.
Een onverwacht einde in West-Friesland
In 1250 sterft Frederik II en iedereen doet maar raak. Vetes worden uitgevochten en handelsreizigers zijn niet langer veilig. Dit noopt de handelssteden tot het sluiten van een groot verbond — de Rheinische Bund van 1254, een samenwerkingsverband van meer dan zestig steden en dertig vorsten dat zich ten doel stelt de vrede te bewaren en onrechtmatige tollen af te schaffen. De steden stellen zich onder bescherming van Willem II, wiens politieke aanzien hierdoor stijgt. De paus wil hem nu te Rome tot keizer kronen.
Voordat Willem II naar Rome gaat, wil hij eerst zijn noordgrens veilig weten. In de winter van 1255/56 vriezen de Friese wateren dicht en Willem II acht het moment rijp om de West-Friezen aan te pakken. Het loopt rampzalig af. Willem II rijdt te paard zo ver voor zijn troepen uit dat de Friese boeren hun kans schoon zien om alvast één ridder uit te schakelen. Dat zij daarmee de aanstaande keizer van zijn paard slaan, is hun op dat moment niet duidelijk. Willem II gaat ten onder door eigen overmoed.

Koenraad IV Ψ, 1250-1254
Na de afzetting van Frederik II in 1245 zijn er twee rivaliserende koningen in het Heilige Roomse Rijk: de Hohenstaufer Koenraad IV en de door de paus gesteunde Willem II van Holland. Koenraad IV is de zoon van Frederik II en hertog van Zwaben. Na de dood van zijn vader in 1250 erft hij ook het koninkrijk Sicilië. Hij trekt in 1251 naar Italië om zijn erfdeel in bezit te nemen en verovert Apulië en Napels. Maar de paus blijft hem bestrijden. In mei 1254 sterft Koenraad IV bij Lavello in Zuid-Italië aan malaria. Hij is zesentwintig jaar oud. Met hem komt een eind aan het Hohenstaufische huis als regerende dynastie. Zijn minderjarige zoon Konradijn Ψ zal in 1268 in Napels worden onthoofd — het definitieve eindpunt van de Staufische lijn.
De dubbele verkiezing van 1257
Na de dood van Willem II in 1256 bereiken de keurvorsten geen overeenstemming over een opvolger. In januari 1257 kiest een deel van hen — de aartsbisschoppen van Keulen en Mainz en de paltsgraaf aan de Rijn — de Engelsman Richard van Cornwall Ψ, broer van de Engelse koning Hendrik III. Nog geen drie maanden later, in april 1257, kiest een ander deel — de aartsbisschop van Trier, de markgraaf van Brandenburg en de hertog van Saksen — Alfonso X van Castilië Ψ, een kleinzoon langs moederszijde van de Hohenstaufer Filips van Zwaben.
Beide koningen laten zich in het Heilige Roomse Rijk nauwelijks zien. Richard van Cornwall bezoekt het Rijnland enkele malen, maar oefent geen werkelijke macht uit. Alfonso X zet vermoedelijk nooit voet op Duitse bodem. Het feitelijke centrale gezag verdampt. Pas in 1273, na de dood van Richard, komt er een einde aan het Interregnum als de keurvorsten graaf Rudolf I van Habsburg Ψ eenstemmig tot Rooms-Koning kiezen — een onbeduidende graaf van wie zij niet veel vrezen. Keizers van diverse huizen grijpen achtereenvolgens de macht in het Heilige Roomse Rijk.
Het Interregnum in Oost-Nederland
Het machtsvacuüm in het Rijk heeft in Oost-Nederland ingrijpende gevolgen. Zowel in Gelre als in het Oversticht en Drenthe verschuiven de machtsverhoudingen — in elk geval niet in het voordeel van het centrale gezag.
Gelre: rijksgoed voor een koopje
Otto II van Gelre profiteert als geen ander van het Interregnum. Zijn steun aan Willem II levert hem niet alleen Nijmegen op, maar ook bevestiging van de tol te Lobith, tiendrechten in het bisdom Utrecht, en het recht op vrouwelijke erfopvolging. De samenwerking met paus Innocentius IV en de aartsbisschop van Keulen bereikt in de jaren 1247 tot 1256 haar hoogtepunt. Otto II combineert militaire steun met financiële hefbomen en bouwt zo het Gelderse territorium systematisch uit. In de Achterhoek verleent hij stadsrechten aan Lochem, Groenlo, Doesburg, en Doetinchem. Hij begrijpt als eerste Gelderse graaf dat bloeiende steden bronnen van inkomsten zijn, maar ook potentiële machtscentra die in de hand gehouden moeten worden. Zijn latere bijnaam ‘de Stedenstichter’ verdient hij ten volle.
Na de dood van Willem II in 1256 en het begin van de dubbele verkiezing verliest Gelre weliswaar zijn directe band met de Rooms-Koning, maar het territoriale gewin is dan al verankerd. Het Rijk is te zwak om de vervreemding van rijksgoed ongedaan te maken. Op een rijksdag te Spiers zal Rooms-Koning Hendrik VII pas in 1310 — meer dan een halve eeuw later — de door Otto II verleende stadsrechten formeel ongeldig verklaren. Maar dan is de praktijk allang sterker dan het papier.
Het Oversticht: bisschop Hendrik van Vianden en de groei van de IJsselsteden
In het Oversticht valt het Interregnum samen met het episcopaat van bisschop Hendrik van Vianden Ψ (1249–1267). Hendrik is door paus Innocentius IV benoemd, tegen de wens van de Utrechtse kapittels in. Hij steunt de zaak van Willem II van Holland, maar die steun is niet zonder prijs: Willem buit de interne conflicten in het bisdom — tussen bisschop, adel, en de stad Utrecht — uit voor eigen gewin. Het bisschoppelijk gezag in het Oversticht is na de catastrofe bij Ane in 1227 al structureel verzwakt. Het Interregnum versterkt die trend. Zonder keizerlijke rugdekking moet de bisschop op eigen kracht zijn positie handhaven.
Hendrik van Vianden doet dat met een actief stadsrechtenbeleid. Hasselt ontvangt in 1252 stadsrechten, Goor in 1263 — de vroegste stadsrechtsverlening in Twente. De bisschop probeert via stadsrechten steunpunten te creëren en de economische ontwikkeling van het Oversticht te stimuleren. Maar de drie IJsselsteden — Deventer, Kampen, en Zwolle — ontwikkelen in dezelfde periode een eigen dynamiek die steeds minder afhankelijk is van de bisschop. Deventer beschikt al sinds 1123 over stadsrechten en een sterk ontwikkeld handelsnetwerk. Zwolle ontvangt in 1230 stadsrechten van bisschop Willebrand Ψ. Kampen groeit uit tot een haven van bovenlokale betekenis. De drie steden verwerven een breed pakket aan privileges en een eigen bestuurscultuur die hen onderscheidt van de kleinere steden in het bisdom. Tegen het einde van de dertiende eeuw sluiten zij zich aan bij de Hanze, het Noord-Europese handelsverbond dat stedelijke belangen behartigt op een schaal die de bisschop niet meer kan beheersen.
Het machtsvacuüm werkt hier als versneller. Waar de bisschop geen keizerlijke steun kan mobiliseren, vullen de steden het gat met eigen middelen en eigen netwerken.
Drenthe: autonomie bij gebrek aan gezag
In Drenthe is het effect van het Interregnum nog pregnanter. Na de Slag bij Ane in 1227 — waarin bisschop Otto van Lippe Ψ samen met honderden ridders sneuvelt in het moeras bij Coevorden — is het bisschoppelijk gezag in Drenthe feitelijk ingestort. De strafexpedities van bisschop Willebrand in 1228 herstellen de orde slechts ten dele. De erfelijke burggraven van Coevorden opereren vrijwel onafhankelijk. Het kasteel van Coevorden, ooit bisschoppelijk steunpunt, functioneert als machtscentrum van een lokale dynastie die zich weinig aantrekt van de verre bisschop in Utrecht.
Het Interregnum versterkt deze situatie. De bisschop kan geen beroep doen op keizerlijke steun om zijn gezag in Drenthe te herstellen. De Drentse gemeenschappen — georganiseerd in dingspelen (rechtskringen) en kerspelen (kerkelijke districten) — functioneren grotendeels zelfstandig. Pas onder bisschop Frederik van Blankenheim Ψ, anderhalve eeuw later, zal het bisdom Drenthe weer effectief onder controle brengen. Het Interregnum markeert in die zin geen breuk, maar verdiept en bestendigt een autonomie die na 1227 al een feit is.
Steden, bonden, en verschuivende machtscentra
De opkomst van stedenbonden is een verschijnsel dat het hele Rijk raakt. De Rheinische Bund van 1254 — opgericht na de dood van Koenraad IV — verenigt steden en vorsten in een poging de landvrede te handhaven waar het koningschap faalt. Het verbond groeit in twee jaar uit tot meer dan zestig steden en dertig vorsten, maar valt na de dubbele verkiezing van 1257 uiteen wanneer de vorsten afhaken. Het principe blijft echter overeind: steden organiseren zich om hun handelsbelangen te beschermen wanneer het centrale gezag wegvalt.
In Oost-Nederland is die ontwikkeling zichtbaar langs de IJssel. De rivierhandel — graan, wijn, hout, vis, en laken — maakt de IJsselsteden tot knooppunten in een netwerk dat reikt van het Rijnland tot de Oostzee. Het Interregnum versnelt hun emancipatie. Zonder effectief koninklijk gezag moeten steden hun eigen veiligheid en handelsroutes organiseren, hun eigen conflicten beslechten, en hun eigen tolprivileges verdedigen. Die ervaring leidt tot een bestuurscultuur van stedelijke autonomie die in de eeuwen erna het karakter van het Oversticht fundamenteel zal bepalen.
In Gelre verloopt de ontwikkeling langs andere lijnen. Daar is het de graaf — niet de steden — die het meest profiteert van het machtsvacuüm. Otto II combineert stadsrechtverleningen met territoriale uitbreiding en legt zo de basis voor het latere hertogdom. Het verschil in bestuurlijke structuur tussen Gelre (sterk grafelijk gezag) en het Oversticht (zwak bisschoppelijk gezag met sterke steden) wordt in de Interregnumperiode zichtbaar en zal blijvend zijn.
Bronnenlijst
Literatuur
- Engels, Odilo. Die Staufer. 9e druk. Urban-Taschenbücher 154. Stuttgart: Kohlhammer, 2010.
- Graaf, Ronald de. Oorlog om Holland 1000–1375. Hilversum: Verloren, 2004.
- Jappe Alberts, W. Geschiedenis van Gelderland van de vroegste tijden tot het einde der Middeleeuwen. ‘s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1966.
- Kaufhold, Martin. Deutsches Interregnum und europäische Politik: Konfliktlösungen und Entscheidungsstrukturen 1230–1280. MGH Schriften 49. Hannover: Hahnsche Buchhandlung, 2000.
- Schneidmüller, Bernd, en Stefan Weinfurter, red. Die deutschen Herrscher des Mittelalters: Historische Portraits von Heinrich I. bis Maximilian I. München: C.H. Beck, 2003.
Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MCM ende XCVIII des Sonnedages nae sunte Gregorius de Groote dach, dat was op ten zesden dach der maent van Septembris.