De jonge stad
De steden van middeleeuws Oost-Nederland zijn geen oud-Romeinse erfenissen. Anders dan Nijmegen of Maastricht, die hun oorsprong vinden in de Romeinse tijd, ontstaan de nederzettingen langs de IJssel en in het achterland pas vanaf de tiende en elfde eeuw als bescheiden agrarische kernen rond een kerk, een hof van de landsheer of het kapittel, en een markt. Deventer is de oudste en vormt een geval apart: de nederzetting wordt al in negende-eeuwse bronnen van het bisdom Utrecht vermeld, en in 952 noemt een oorkonde van koning Otto I de plaats als stad. In 1123 ontvangt Deventer van keizer Hendrik V de beschikking over de gemeentelijke gronden — door historici beschouwd als het moment van formele stadsrechtverlening. Zutphen groeit in dezelfde periode uit van grafelijk bestuurscentrum tot stad. Kampen en Zwolle volgen later: Zwolle ontvangt in 1230 stadsrechten van bisschop Wilbrand van Utrecht Ψ, als beloning voor de steun die de Zwollenaren hem hadden geboden na de rampzalige Slag aan de Ane in 1227. Over de precieze rechtsgrond van dat privilege bestaat overigens discussie. Volgens oud-archivaris A.J. Mensema heeft Zwolle, net als Kampen en Deventer, vermoedelijk nooit een formele oorkonde ontvangen — de stad was een stad omdat zij als zodanig werd beschouwd.
De jonge steden vertonen vaak hetzelfde patroon in hun vroegste fase. Een kerk met een markt en enkele uitvalswegen. Boerderijen die met het gezicht naar de hoofdweg staan, met achter langs het erf een onverharde achterstraat. In of nabij de nederzetting bevindt zich een belangrijke hof van de landsheer of de kerk, waar de belasting moet worden voldaan. Voor de bewoners moet er een economische reden zijn om zich blijvend te vestigen. Die reden is aanvankelijk de markt: het recht om handel te drijven op vaste dagen. Pas in de veertiende eeuw gaan steden ook aantrekkingskracht uitoefenen op kinderen van horigen die niets erven. En wie het goed wél erft, gaat juist in de stad wonen om horigheid te ontlopen.
Het verschil tussen de IJsselsteden en de steden in het achterland tekent zich al vroeg af. Deventer, Zutphen en Kampen profiteren van hun ligging aan de IJssel, de belangrijkste handelsroute tussen het Rijnland en de Noordzee. Zij groeien uit tot regionale centra met internationale handelscontacten. Zwolle, dat strikt genomen niet aan de IJssel maar aan de Vecht en het Zwarte Water ligt, functioneert via Kampen als schakel in dezelfde handelsroute en wordt in de veertiende eeuw een gelijkwaardige speler. De steden in het achterland — Doetinchem, Lochem en Groenlo in de Graafschap; Oldenzaal, Ootmarsum en Delden in Twente; Hardenberg en Steenwijk in het noorden van het Oversticht — blijven kleiner. Zij danken hun bestaan niet aan de langeafstandshandel maar aan hun functie als lokale marktplaats en bestuurscentrum. Veel van hen ontvangen hun stadsrechten pas in de tweede helft van de dertiende of de veertiende eeuw, als de landsheer — de bisschop van Utrecht in het Oversticht, de graaf of hertog van Gelre in de Graafschap — er politiek voordeel in ziet om nederzettingen tot stad te verheffen.
De vorm van de steden

De plattegrond van een middeleeuwse stad is zelden het resultaat van een vooropgezet plan. De meeste steden in Oost-Nederland zijn organisch gegroeid: een lint van bebouwing langs een weg of waterloop dat zich geleidelijk verdicht en uiteindelijk door een ommuring wordt omsloten. Die ommuring bepaalt de uiteindelijke vorm. Zo ontstaan halfcirkelvormige of ovale steden met een straalvormige plattegrond (een patroon waarbij wegen vanuit het centrum naar buiten lopen), waarbij twee of meer wegen elkaar kruisen in het centrum en onderling verbonden worden door wegen die de loop van de stadsmuren volgen. Daarnaast bestaan rechthoekige steden met een schaakbordachtig plan, en onregelmatige veelhoeken zonder herkenbaar systeem, maar meestal wel met een aanwijsbaar centrum.
Dit model van drie grondvormen, ontleend aan de oudere stedenbouwkundige literatuur, laat zich in de praktijk moeilijk zuiver toepassen. Rutte en Abrahamse hebben in hun Atlas van de verstedelijking in Nederland laten zien dat de meeste steden mengvormen vertonen, omdat zij in fasen zijn gegroeid. Zutphen is daar een goed voorbeeld van: de oudste kern rond de grafelijke hof en de Sint-Walburgiskerk heeft een onregelmatige plattegrond, terwijl de Nieuwstad — aangelegd tussen 1250 en 1270 — een bedacht schaakbordplan vertoont. Deventer groeit vanuit éénzijdige oeverbebouwing langs de IJssel, met de Brink als oudste kern, en breidt zich vervolgens uit in meerdere richtingen. Kampen vertoont een vergelijkbaar patroon: de oudste bebouwing concentreert zich langs de IJsseloever, waarna de stad zich landinwaarts uitbreidt.
Een zeldzaam voorbeeld van volledig planmatige aanleg biedt Elburg op de Veluwe. Daar liet hertog Willem VII Ψ tussen 1392 en 1396 door zijn rentmeester Arent thoe Boecop een geheel nieuwe stad bouwen met een rechthoekige plattegrond en kaarsrechte straten — een uitzonderlijk geval in de Nederlanden.
Bij de achterlandsteden is het patroon eenvoudiger. Steden als Lochem, Oldenzaal en Ootmarsum hebben een compacte, min of meer ovale of onregelmatige plattegrond die wordt bepaald door de loop van een beek of weg en door de latere ommuring. Omdat deze steden kleiner blijven, ontbreekt de gefaseerde uitbreiding die bij de IJsselsteden tot mengvormen leidt.
Het stadssilhouet
Het aanzien van de middeleeuwse stad wordt bepaald door drie lagen die in hoogte oplopen. De eerste laag vormen de stadsmuren met hun muurtorens en stadspoorten, die abrupt oprijzen uit het omringende platteland. De massale muur met zijn gekanteelde borstwering is iets lager dan de burgerbebouwing op het tweede plan, met haar steile daken en schoorstenen. De muurtorens, en vooral de stadspoorten met hun spitse daken, steken boven de huisdaken uit. Op het derde plan verschijnen de gebouwen die het stadsbeeld beheersen: de torens van kerk of kathedraal, het stadhuis, het waaggebouw.

In de IJsselsteden zijn die beeldbepalende gebouwen goed herkenbaar. In Deventer is het de toren van de Lebuïnuskerk die het stadsbeeld beheerst, hoog boven het Bergkwartier met zijn steile straten. In Zutphen is het de Sint-Walburgiskerk met haar romaanse toren. In Kampen steekt de Bovenkerk boven alles uit, geflankeerd door de Koornmarktspoort en de Cellebroederspoort als bewaard gebleven stadsingangen. In Zwolle markeert de Grote Kerk (Sint-Michaël) het centrum, terwijl de Sassenpoort — de enige bewaarde middeleeuwse stadspoort van de stad — nog altijd het zuidelijke stadsbeeld bepaalt.
Bij de kleinere steden in het achterland is het silhouet bescheidener maar niet minder karakteristiek. In Oldenzaal domineert de Sint-Plechelmuskerk met haar massieve romaanse toren de ommuurde stadskern. In Doetinchem vervult de Grote Kerk dezelfde rol. De achterlandsteden missen de imposante koopmansbebouwing van de IJsselsteden, maar de verhouding tussen stadsmuur, burgerbebouwing en kerktoren volgt hetzelfde principe: van verdediging, via dagelijks leven, naar het geestelijke als hoogste punt. Dat is niet alleen een visuele climax, maar ook een ideële — de kerk als bekroning van de stedelijke gemeenschap. Gegroepeerd rond de markt staan deze gebouwen in het maatschappelijk en economisch centrum van de stad.
De huizenbouw
Tot de dertiende eeuw kent de stad twee uitersten in haar bebouwing. Aan de ene kant staan eenvoudige huizen met wanden van planken of vlechtwerk, gedekt met stro of riet. Aan de andere kant verrijzen grote kasteelachtige woningen van natuursteen, gebouwd door de hoge adel of het stadspatriciaat. In Zutphen past de hoge adel als eerste monumentale steenbouw toe, zoals het grafelijke hof. In Deventer en Kampen bouwt het stadspatriciaat vergelijkbare stenen huizen die hoog boven de omringende bebouwing uitsteken. Deze gebouwen hebben een groot grondoppervlak — zijden van tien tot vijfentwintig meter — en een of meer verdiepingen. Op de begane grond bevinden zich een poort en getraliede vensters, langs de dakgoot een borstwering met kantelen. Het zijn niet alleen woningen maar ook verdedigingswerken, en zij drukken de voornaamheid van de bewoner uit.
In de achterlandsteden is de bebouwing eenvoudiger. Stenen huizen blijven daar langer uitzondering. De overgrote meerderheid van de bevolking woont in houtbouw, ook wanneer de IJsselsteden al deels in steen zijn opgetrokken.
De stad versteent
Wanneer kloosterorden — met name cisterciënzers en premonstratenzers — in de late twaalfde en vroege dertiende eeuw in Friesland en Groningen de baksteentechniek herintroduceren, begint in de Lage Landen een bouwtechnische omwenteling. De oudere literatuur schrijft deze introductie toe aan buitenlandse bouwmeesters, maar recenter onderzoek wijst op contacten van de Noordduitse en Friese kloosterorden met gebieden waar de baksteentechniek uit de Romeinse tijd bewaard was gebleven. Voortaan beschikt men overal over betaalbaar bouwmateriaal. Klei wordt langs de rivieren gevonden en is veel goedkoper dan de van elders aangevoerde natuursteen — tufsteen uit de Eifel of Bentheimer zandsteen uit het grensgebied met Westfalen. Voor grote bouwprojecten worden stenen ter plaatse gebakken, en veel steden richten eigen bakovens in ten behoeve van hun verdedigingswerken.
In Oost-Nederland speelt naast baksteen ook de Bentheimer zandsteen een rol. Deze gelige zandsteen, gewonnen bij Bad Bentheim net over de grens, wordt via de Vecht aangevoerd en is in het Oversticht en de Graafschap een geliefd bouwmateriaal voor kerken, stadsmuren en patriciërshuizen. De Schipbeek biedt Deventer een directe verbinding met het Bentheimer achterland.
Aanvankelijk is baksteen voorbehouden aan kerken, kloosters, kastelen en patriciërshuizen. In de veertiende eeuw gaan ook minder draagkrachtige burgers over op bouwen met steen. Brandveiligheid is daarbij een drijvende kracht. Middeleeuwse steden worden herhaaldelijk door stadsbranden in de as gelegd — de houten huizen vallen dan vrijwel zonder uitzondering ten prooi aan de vlammen. Deventer brandt in 1334 grotendeels uit; Zwolle wordt in 1324 door brand getroffen. Die ervaringen zijn een keerpunt. Het stadsbestuur stimuleert de bouw in steen via subsidies en gunstige regelingen. Coomans heeft voor Deventer aangetoond dat het stadsbestuur na de branden van de veertiende eeuw actief investeerde in brandpreventie, onder meer door particulieren financieel te ondersteunen bij de bouw van stenen woningen. De overgang naar steenbouw verloopt geleidelijk en verschilt per stad en per wijk, zoals Cleijne en haar medeauteurs op basis van tientallen opgravingsrapporten hebben laten zien.
Zo ontstaat in de loop van de veertiende en vijftiende eeuw een driedeling in de stedelijke bebouwing: grote patriciërswoningen van steen, bakstenen huizen van de middengroep, en de vlechtwerkhuizen van de armen.
Wonen en werken

De bakstenen huizen van de middengroep blijken bij opgravingen een grotere variant te zijn van de oudere houten woningen. Naast het zaalhuis — één rechthoekige ruimte waarin wonen en werken samenvallen — ontstaat een type huis waarin de twee functies worden gescheiden in een voor- en een achterkamer. De centrale haard verhuist naar een bakstenen tussenmuur. Er verschijnt een zolder voor extra woonruimte of opslag. Het deel met de werkfunctie wordt aan de straatkant geplaatst: de ambachtsman of koopman presenteert zich aan de voorbijganger, terwijl het privéleven zich achter in het huis afspeelt.
Dit patroon — een smal, diep huis met de werkplaats of winkel aan de straat en het woongedeelte erachter — is kenmerkend voor de laatmiddeleeuwse stad in de Lage Landen. De smalle gevelbreedtes die bij opgravingen in Deventer, Zutphen en Kampen worden aangetroffen, weerspiegelen de hoge grondprijzen in de IJsselsteden: wie aan een drukke straat woonde, betaalde per strekkende meter gevel, en bouwde dus liever diep dan breed.
In de vijftiende eeuw worden extra verdiepingen toegevoegd. Er ontstaan regionale verschillen in bouwtrant, zelfs tussen steden die op korte afstand van elkaar liggen.
Literatuur
- Alberts, W.J., De middeleeuwse stad, Bussum: Fibula-Van Dishoeck, 1968.
- Alberts, W.J., ‘Doetinchem in de middeleeuwen’, in: Geschiedenis van Doetinchem, Zutphen: De Walburg Pers / Oudheidkundige Kring ‘Deutekom’, 1986.
- Alberts, W.J., De oudste volledig bewaarde stadsrekening van Doetinchem over het jaar 1530/1531, Doetinchem: Oudheidkundige Vereniging ‘Deutekom’, 1986.
- Boerefijn, W.N.A., The Foundation, Planning and Building of New Towns in the 13th and 14th Centuries in Europe. An Architectural-Historical Research into Urban Form and its Creation, diss. Universiteit van Amsterdam, 2010. https://dare.uva.nl/search?identifier=6ac40515-d4b1-49e7-8703-60b8aee1a791
- Cleijne, I.J., A.M.J.H. Huijbers, A.D. Brand & R.J.W.M. Gruben, Huizenbouw en percelering in de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Van hout(skelet)bouw naar baksteenbouw in tien steden, Amersfoort: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2017 (NAR 59). https://www.cultureelerfgoed.nl/publicaties/publicaties/2017/01/01/huizenbouw-en-percelering-in-de-late-middeleeuwen-en-nieuwe-tijd
- Coomans, J., Community, Urban Health and Environment in the Late Medieval Low Countries, Cambridge: Cambridge University Press, 2021.
- Diverse auteurs, De Sint-Walburgiskerk in Zutphen. Momenten uit de geschiedenis van een middeleeuwse kerk, Zutphen: Walburg Pers, 1999.
- Oosten, R. van, De stad, het vuil en de beerput. Een archeologisch-historische studie naar de opkomst, verbreiding en neergang van de beerput in stedelijke context (13de tot 18de eeuw), diss. Rijksuniversiteit Groningen, 2014. https://www.universiteitleiden.nl/onderzoek/onderzoeksoutput/archeologie/de-stad-het-vuil-en-de-beerput
- Rutte, R. (met medewerking van K. Visser & W. Boerefijn), ‘Stadsaanleg in de late middeleeuwen. Over bouwpercelen, straten en standaardmaten in Elburg en enige andere steden’, Bulletin KNOB 102 (2003), 118–135.
- Rutte, R. & J.E. Abrahamse (red.), Atlas van de verstedelijking in Nederland. 1000 jaar ruimtelijke ontwikkeling, Bussum: Thoth / Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2014.
Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MCM ende XCVIII des Sonnendages voor Heilige Laurentius dach, dat was op ten negenden dach der maent van Augusti.