Je hoopt altijd op reacties van lezers, maar helaas zijn die er vrijwel niet.
Het weerhoudt mij er natuurlijk niet van om nog eens terug te komen op het eerdere bericht.
Ik zat vreselijk te stoeien met de stamreeks van de Kuinre's tussen 1337 en 1400, en dat komt mede door het stuk vanDe Vos van Steenwijk in NL 1967. Het toont mij nog eens aan, hoe lastig het is om gebruik te maken van deze artikelen. Je wordt door de schrijver namelijk min of meer verleid om zijn betoog te volgen (zoals overigens ook de Vos van Steenwijk zelf weer 'verleid' werd door Nagge).
Ik zal eerst stukken citeren uit NL 1967, kolom 275
Tot zover ,de Cameraarsrekeningen van Deventer. Mag het verbazing wekken het volgende te lezen in de ,,Overijsselsche Kronijk” op het jaar 1376: ,,is de Heere van de Cuynre buytenlandts vermoordt, ‘t welk sijn soon Harmen van Cuynre op die van Hamborch wilde wreecken, doch is door gesanten bijgelecht” (Dumbar. Analecta 11 p. 306).
In de Historie van Overijssel van W. Nagge (uitgave Nanninga Uitterdijk dl 1 p. 169 en 170) lezen we:
,,Omtrent het jaer 1376 waren die Here van die Cuiner in Over-Yssel, met sijn soone, ende ettelicke van sijne bloedtverwanten, buitenslants doodtgeslagen, ende men konde seeckerlich niet weten wie dat gedaen hadde.
Maer sijn soone Harmen van die Cuinder die na sijns vaders doodt aldaer Here worde, heeft het daervoor geholden, dat die van Hamborg daer schuldig an waren: verbond sich derhalven mit sijne vrunden om sulcks te wreecken op die van Hamborg ende hare borgeren, te water ende te lande, waer sij het selve konden te wege brengen: twelcke haer menonge
sij den van Hamborg hebben toegeschreven, oock terstont op haer toegepast, ende haer borgeren allent halven beschadigt.
Waeromme die van Hamborg hare gesanten als Heer Georgen Holstein indertijdt borgemeester derselver stadt, ende H. Volcker Goldersson Raedtsman, in Over-Yssel hebben gesonden, ende van die steden Deventer, Campen en Swolle versocht, datse doch hare gecommitteerden, behulpelick wilden wesen, om tot verdrag mit den Here van de Cuiner te geraecken, alsoo sij geen schult tot sijns vaders doodt en hadden. Die steden voorseit willig sijnde het versoeck van die van Hamburg te voldoen, hebben haer gesanten anden selven Here gesonden, ende soo wijt tusschen beiden gehandelt, dat hij verstont die van Hamborg onschuldig te wesen, waerme hij oock die selve opten 7 Martij anno 1376 van die doodtslag sijnes vaders heeft verlaten ende quijt gescholden, insgelijcken sijne vrunden voor haer ende nakomelingen, waervan hij haer segel ende brieven heeft gegeven, die van dese navolgende onderteekent waren.
Heer Harmen van die Cuiner, Jan van de Cuiner, Ridder, Henrick van Essen, die olde, Henrick van Essen, die jonge, Coop Wijnkens sone, Jan Hagen, ende Hugo vander Halle die jonge.”
DIT WAS CITAAT 1
NU CITAAT 2
Zoals reeds geciteerd uit Negge’s Historie van Overijssel (dl 1 p. 169 en 170) neemt deze Herman aan, dat het de Hamburgers zijn geweest, die zijn vader, broer en helpers gedood hebben. Hij besluit dit op de Hamburgers ter zee en te land te verhalen en voegt de daad bij het woord, door hen aan te vallen waar hij kan. De Hamburgers zenden twee
vooraanstaande burgers naar Overijssel, die de hulp van de drie grote steden inroepen, teneinde de heer van Kuinre te overtuigen, dat zij geen schuld aan de dood van diens vader hebben. De (besprekingen leiden, tot een verzoening, waarbij Herman de Hamburgers de dood van zijn vader kwijt scheldt, evenals zijn vrienden dit voor zich en hun nakomelingen doen Het stuk wordt gezegeld door ,, Herman here van Cuenre,
Johan van Cuenre ridder, Henris van Essen de olde, Evert
van Essen, Henric van Essen die junghe, Coep Wynkenssoene,
Johan Haghen ende Hughe van der Halle die junghe”.
De datum van deze akte is zondag in mei 1376 (Don. Arch. gem. Kampen no. 7).
Het lot van de vader schrikt de jonge Herman niet af om in diens voetsporen te treden en zijn vijanden op zee schade te berokkenen.
DIT IS CITAAT 2 van kolom 277 en 278.
Op grond van de stukken en het verhaal van Nagge, concludeert Schaap, dat Herman van Kuinre in 1376 de zoon is van de kort daarvoor vermoorde Herman van Kuinre.
Ik heb met deze gegevens ook flink wat moeite gehad, maar we hebben ons laten leiden door verkeerde conclusies. Uit stukken blijkt nergens, dat Herman Heer van Kuinre in 1376 is vermoord, en in dat jaar is opgevolgd door zijn zoon Herman, de jonge.
de Vos van Steenwijk spreekt in het eerste citaat ook zijn verbazing uit, dat er opeens sprake is van de moord op Herman van Kuinre. En die verbazing is terecht, want Herman's vader werd niet vermoord in 1376, maar rond 1363.
In 1355 wordt Johan Heer van Kuinre 'neef' genoemd door de twee broers Johan en Hendrik van Kuinre.
In 1357 zijn er een paar stukken in Kampen en Hamburg:
Honorabilibus ac circumspectis viris schabinis et consulibus in Campen, nostris amicis dilectis, presentetur.
Unsen vruntliken grut tovorn.
Leven besunderen vrunde, juwer erbarheyt danke wi sere grotliken umme juwen guden willen unde woldaet, de gi uns bewiset hebben in deme, dat gi bearbeydet hebben by juwem ersammen heren bisschoppe tUtrecht an der sake Johans sone Hermans van Kuenre. Unde, leven vrunde, alse gi uns latest schreven, dat de zulve Johan wolde sik beraden bette to Mydwinter neghest vorghan unde jw denne zin beraet secghen, bidde wi vruntliken, oft Johan vorbenomt jw dat beraet ghesecht hebbe, dat gi uns dat willen weten laten, unde dat gi vordan juwe beste daryn don dor unsen willen unde wesen unsen borgheren to vordernisse, wor gi moghen. Dat wille wi gherne truweliken alleweghe wedder vordenen an jw unde an den juwen in liken oft in groteren saken. Siid Gode bevolen.
Schreven in sunte Fabianes unde Sebastianes avende under unserm secrete.
Consules Hamburgenses.
Wy scepene van Campen, szoenslude ende segghers van saeken als van aller schelinghe ende onminne, dy ghewesen heeft tusschen heren Johan heren van Kuenre ridder ende alle siine vriende ende hulpers op ene siide ende dy stadt von Hamborgh ende al eer burghers ende hulpers up dy ander siide ont in desen dagh toe des sii aen ons ghebleven sin te beyden siiden, segghen: dat eerste, ghewoerden van burghers van Hamborgh binnen vredes, daer dy gueede lude van Hamborgh hem onschuldich af segghen, dat dy van Hamborgh eer enschuldt daeraf doen sullen, daer Heyne van der Woert, Johan Pape, Henric Vaelsiik ende Radeke Merschen, burghers van Hamborgh, van oerer stadt weghen mit oeren eeden voer ons, daer dy here van Kuenre voerscreven tgheghenwardich stont, ten hylighen beholden hebben, dat dy stadt van Hamborgh ende oer burghers al onschuldich sin raedts ende daedes des nederslaghes, dy an Jacob Vlanderman voerscreven ghedaen is, ende dat sii gheenen vrede aen dien heren van Kuenre voerscreven oft siine hulpers ghebrocken hebben, dien dy stadt van Hamborgh by rechte hem verrichten sulle.
Voert van allen schaeden, dien sii onder hem ende oer hulpers malcanderen ghedaen hebben te beyden siiden ont in desen dagh toe, dat segghe wy alineliiken quiit, ende segghen daeraf ene alinghe olde vaste stede kersteliike szoene te beyden siiden te holdene sonder alle arghelist ende daermede voertmer gueede vriende te wesen.
Uit deze stukken blijkt al, dat de verhouding tussen Johan heer van Kuinre en de stad Hamburg niet erg soepel was. Vermoedelijk heeft dit conflict toch een staartje gekregen, en zijn Johan heer van Kuinre en zijn zoon tenslotte vermoord, vermoedelijk door Hamburgers.
In 1363 doet zijn zoon en opvolger Herman van Kuinre hier ook melding van:
1 augustus 1363
"Allen luden, die desen brief zullen zien of horen lezen, doe wi te weten Herman Here van Kuynre ende bekennen openbaer, dat die borghe ende hofstat tot Kuynre, daer ons huys ende veste op staet, mit den erve, dat daer toe behoert ende daer om gheleghen is, also alst ons bi Heren Johannes, Heren van Kuynre, ons vaders, ende Johans van Kuynre, ons broeders, dode, daer God die zielen of hebben moet, aenghekomen is, des Bisscops ende der kercken van Utrecht hoer recht eygen tafel groet is; ende wi ende onse erfghenaemen of zo wie den berghe huys ende goet voirsz. bezit in der tyt, hem ende sinen naecomelinghen, Bisscoppen t'Utrecht, daer of sculdich zyn van rechter pachten vier emmer boteren te betalen ende te leveren op den huse tot Vollenho, alle jaer op alre Goeds heylighen dach. Weert sake, dat wi desen voersz. pacht nyet en betaelden als voersz. is, zo mach ons die Bisscop van Utrecht, die is inder tyt of zyn ghewaerde boden dien voersz. pacht alle jaer wt doen panden aen allen goeden, zo waer hy wil, dat wi of onse erfghenamen hebben in des Bisscops lande van Utrecht sonder enigherhande vertrec of wedersegghen van ons of onsen erfghenaemen. Voert so bekennen wi Herman voersz. dat wi ende onse erfghenaemen alle huyse ende veste, die op ten voersz. berch nu ter tyt syn of namaels getymmert werden moghen, mit horen voerborchen, graven ende toebehoren van den Bisscop van Utrecht holden tot enen rechten erflene in dienstmans staet, beholdelyc den Bisscop van Utrecht vorgesz. syns vorghenoemden pachts. Ende wat huse of veste, dat daer nu op syn of namaels comen moghen, die zyn des Bisscops van Utrecht, zo wie hy is in der tyt, openen huyse ende slote. En die zoelen wi of onse erfghenamen, of zo wie den bergh, huyse ende veste voersz. besit in der tyt, den Bisschop van Utrecht in der tyt volcomelyc openen, hem mede te behelpene teghen alle die ghene, die hi wil, in zynre kerken ende zyns ghestichts oerbaer van Utrecht, wanneer wi of onse erfghenaemen of zo wie den bergh, huys ende goet bezit in der tyt, van hem des vermaent werden of van sinen ghewaerden boden. Voert so en soelen wi of onse erfghenaemen mit desen voersz. huyse noch daer of noch daertoe nummermeer des Bissops of zyns ghestichts van Utrecht archste doen of laten doen of gescien heymelic noch openbaer bi onsen weten of toedoen, sonder arghelist. Ende van allen desen voerscr. punten ende vorwaerden zoelen wi den Bisscop van Utrecht in der tyt also menichwerven en also dicke ende verervet aen nywen erfgenamen. Alle dese voerscr. punten hebben wy Herman, Heren van Kuenre voersz. voer ons ende voer onse erfghenamen ghesekert, ende gesworen ten heylighen, wettelyc ende wael vol, ende al te holden, ende te voldoen (ende) nyet te verbreken. Ende in kennissen der waerheyt aller vorwaerden,ende punten voerscr. hebben wi onsen zeghel aen desen brief ghehanghen ende hebben ghebeden om die meerre zekerheyt, ende vastenisse wille Roederic Here van Voerst, ende van Keppel onsen lieven neven, Heren Vrederic van der Eze, Onsen lieven swager, Heren Dirc van Voerst, onsen lieven Oem, ende Haren Johanne van Kuenre, onsen lieven neven, desen brief mit ons te beseghelen mit horen zeghellen.
Ende wi Roederic Here van Voerst ende van Keppel, Knape, Vrederic van der Eze, Dirk van Voerst ende Johan van Kuenre, Ridders vorghenoemde, hebben om bede wille Hermans, Here van Kuenre, ons neven, ende zwagers voersz. desen brief mit hem beseghelt mit onsen zeghellen tot enen orconde. Ghegheven tot Zwolle int jaer ons Heren dusent driehondert drie ende tsestich op sinte Peters dach ad Vincula"
Herman Heer van Kuinre vertelt hier over de dood van zijn vader Johan heer van Kuinre, en van zijn broer Johan. In de periode die hierop volgde heeft Herman van Kuinre wraak willen nemen op de stad Hamburg. Pas in 1376 wordt er een verzoening tot stand gebracht, en ziet Herman af van verdere acties tegen de stad Hamburg.
Het stuk uit 1376 refereert dus niet naar een gebeurtenis in 1376, maar naar een gebeurtenis omstreeks 1360, waarin zijn vader en broer werden vermoord.
Tevens zien we in het Hamburgse stuk, dat Johan heer van Kuinre een zoon was van Herman van Kuinre.
Daarmee wordt de stamreeks dus:
Herman van Kuinre
|
Johan van Kuinre (+ ca. 1358-1363)
|......................................|
Herman van Kuinre Johan van Kuinre (+ 1358-1363)
Ik wil eerst nog eens goed kijken naar de voorliggende generaties om te kijken, hoe die hierop aansluiten.
mvg
Ronald Blancke
Ik wil nog even terugkomen op twee stukken uit 1357. Het betreft een conflict tussen Hamburg en Johan van Kuinre. Volgens Jürgen Sarnowsky van de Universiteit van Hamburg is het stuk in Register van Charters en Bescheiden van Kampen 5, Nr. 63 foutief gedateerd. De juiste datum hoort te zijn 20 januari 1357.
In dit stuk wordt de stad Kampen bedankt door de bestuurders van Hamburg, omdat zij met de Bisschop van Utrecht hadden gesproken over de zaak Johan Hermanszoon van Kuinre.
In het Registerboek van Kampen is de datering gesteld op 27 januari 1327. Dat scheelt dus 30 jaar, en het is wel erg belangrijk om de juiste datering te kennen.
Maar er is enige grond voor om aan te nemen, dat een datering in 1357 juister zou zijn. Op 6 juni 1357 schrijft de stad Kampen immers een brief naar Hamburg:
Kampen, 6 Juni 1357
Wy scepene van Campen, szoenslude ende segghers van saeken als van aller schelinghe ende onminne, dy ghewesen heeft tusschen heren Johan heren van Kuenre ridder ende alle siine vriende ende hulpers op ene siide ende dy stadt von Hamborgh ende al eer burghers ende hulpers up dy ander siide ont in desen dagh toe des sii aen ons ghebleven sin te beyden siiden, segghen: dat eerste, ghewoerden van burghers van Hamborgh binnen vredes, daer dy gueede lude van Hamborgh hem onschuldich af segghen, dat dy van Hamborgh eer enschuldt daeraf doen sullen, daer Heyne van der Woert, Johan Pape, Henric Vaelsiik ende Radeke Merschen, burghers van Hamborgh, van oerer stadt weghen mit oeren eeden voer ons, daer dy here van Kuenre voerscreven tgheghenwardich stont, ten hylighen beholden hebben, dat dy stadt van Hamborgh ende oer burghers al onschuldich sin raedts ende daedes des nederslaghes, dy an Jacob Vlanderman voerscreven ghedaen is, ende dat sii gheenen vrede aen dien heren van Kuenre voerscreven oft siine hulpers ghebrocken hebben, dien dy stadt van Hamborgh by rechte hem verrichten sulle.
Voert van allen schaeden, dien sii onder hem ende oer hulpers malcanderen ghedaen hebben te beyden siiden ont in desen dagh toe, dat segghe wy alineliiken quiit, ende segghen daeraf ene alinghe olde vaste stede kersteliike szoene te beyden siiden te holdene sonder alle arghelist ende daermede voertmer gueede vriende te wesen.
Actum et presentatum anno Domini 1357, feria tertia post octavam penthecostes.
Het lijkt erop, dat dit een reactie is op de brief eerder dat jaar vanuit Hamburg.
Volgens Jürgen Sarnovsky is er nog enige voorgeschiedenis terug te vinden:
Schon in den Hamburger Kämmereirechnungen von 1354 (herausg. von Koppmann, 1, 40) wird notiert unter den Ausgaben: domino Nicolao Hetfelt 48 mr. preter 2 [solidi] ad Hollandiam contra dominum de Kunre.
Als deze beoordeling dus klopt, en er inderdaad in 1357 sprake is van Johan heer van Kuinre, Hermanszoon, dan heeft dat wel wat konsekwenties.
Immers, in 1337 wordt er in een stuk, waarvan het regest te lezen is bij Ter Kuile (stuknr. 1126, dd. 6 mei 1337) gesproken over de problemen, die er in Kuinre zijn ontstaan door de geweldadigehden van de graaf van Gelre, na de dood van Johannes heer van Kuinre, die zijn graafschap in leen hield van de graaf van Holland.
Dat is tegelijk een verwijzing naar de acte van 1331, waarin Johan van Kuinre, ridder, beleend wordt door de graaf van Holland met alle goederen te Kuinre, zoals daarvoor Johans neef, Henrik van Kuinre die hield. Tevens worden Johan's twee zonen benoemd als zijn erfvolgers in rechte lijn.
Dat alles betekent:
Johan van Kuinre, na 1331 heer van Kuinre, + voor 1337
..........|........................................................|
Herman van Kuinre (+ voor 1355).........Johan van Kuinre
..........|
Johan van Kuinre (+ 1363)
..........|.................................................................|
Herman Heer van Kuinre van 1363-1412..........Jan van Kuinre (+1363)
Dit alles heeft dan ook als gevolg, dat de oudst genoemde heer van Kuinre, Johan van Kuinre, NIET een zoon was van een Herman van Kuinre, althans niet op grond van het stuk uit 1327, dat ten onrechte zo gedateerd is.
Deze Johan van Kuinre was wél een neef van Hendrik van Kuinre.
Wie hij precies was, verdient nader onderzoek, maar ik hou het voor goed mogelijk dat hij een zoon is geweest van heer Volrad van Kuinre.
mvg
Ronald Blancke
In een stuk op internet (door Gerrit Bloothooft geplaatst) door ir. J.J. Krabbe geschreven vond ik een stamboom Hendrik Crane (heer van Kuinre). Hoe is die stamboom te plaatsen? Zie: http://www.let.uu.nl/~Gerrit.Bloothooft/personal/Veuger/StamVeuger/KRABBE.pdf
Vriendelijke groeten,
Akiers